Ben jij ook actief voor Agathos?

Vraag 1. De Bijbelstudie wordt gehouden in de week van Hervormingsdag. Een goed moment om iets uit de kerkgeschiedenis te delen. Vanavond gaat het over ‘het goede’ doen. Daar was in de tijd van Remonstranten en Contraremonstranten veel over te doen. Was de mens daartoe in staat? We hebben zo onze vooroordelen over Remonstranten (en zeker zitten daar leerstellingen die terecht te wijzen zijn). Echter, in de praktijk waren ook Contraremonstranten niet per definitie betere mensen, getuige dit verhaal. Wat zou dit verhaal met onze tekst van vanavond te maken kunnen hebben? Vanavond speelt op de achtergrond de vraag: kan de mensen wel iets goeds doen? Kán hij wel ‘navolger van het goede’ zijn, Agathos-mens?

 

“En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede”

1 Petrus 3 : 13

 

Zingen Psalm 37 : 12 en 14  – Lezen 1 Petrus 3 : 10-18

De tekst van vanavond lijkt een haast idealistisch statement: “Wie doet je wat als jij goed doet?” Denk echter niet dat de tekst suggereert dat je dan niets kan gebeuren. Het gaat hier om een rein geweten. Vers 17 ontnuchtert ons: “Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.” Er kan dus wel degelijk lijden komen, maar daarin veroordeelt je geweten je niet, zoals we gelezen hebben in vers 16: “En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.”

In het voorgaande hebben we iets gezien en geleerd over het we in de gemeente met elkaar behoren om te gaan; hoe we ons hebben te gedragen jegens de ander. Nadruk werd gelegd op ootmoedigheid in al haar facetten. En… we hebben enerzijds ervaren hoe goed het is, maar anderzijds ook hoe lastig het soms is.

In het vervolg zal het dus nog een stapje dieper gaan als het gaat over hoe we hebben te handelen, wanneer ons onrecht wordt aangedaan. Daar had ik het eigenlijk over moeten hebben, maar laat dat toch over aan degene die de volgende inleiding heeft. Toen ik in onze tekst voor vanavond het woord ‘het goede’ tegenkwam en zag dat daar in het Grieks ‘Agathos’ staat, kreeg ik een ingeving om het over dát woordje te doen. ‘Navolgers van het goede’. Direct haakte dat woord in mij vast en wat er al enige weken in mijn geest broedt wil ik graag met jullie delen. Al studerend op het woordje ‘goed’ in de Bijbel, zou ik een avond kunnen vullen. Er is veel over te zeggen, maar elke avond blijkt weer hoe beperkt we maar kunnen bespreken omdat de tijd ontbreekt. Daarom slechts drie punten:

  1. Wat is goed?
  2. Wie is goed?
  3. Wie doet goed?

Die drie punten kwamen bij me boven, aan de hand van drie tegenvragen:

  1. Bestaat het goede eigenlijk nog wel na Genesis 3?
  2. Kan een mens nog wel goed zijn? Alleen God is maar goed, toch?
  3. En kan een mens eigenlijk wel écht goed doen? Er is immers niemand die goed doet, ook niet tot één toe?

God had de mens goed geschapen. ‘Tov’ staat er in het Hebreeuws. In het nieuwe testament wordt dan het woord ‘Agathos’ gebruikt. De vraag vanavond is: kan de mens na Genesis 3 nog wel iets goed(s) doen? We gaan op onderzoek uit…

 

 

1. Wat is goed?

Toen Jezus tegen Pilatus zei: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.”, antwoordde Pilatus: “Wat is waarheid?” Wat is de exacte definitie (en dus de juridische begrenzing) van waarheid? Datzelfde kun je ook vragen over het woordje ‘het goede’: “Wat is goed?” In onze tekst is het woord ‘goed’ of ‘het goede’ een vertaling van het griekse woordje ‘Agathos’. Dat bracht mij natuurlijk direct bij die zorgorganisatie waar enkele van ons bij werken. Wat zeggen zij op hun website?

Missie
Onze missie komt direct voort uit onze grondslag, de Bijbel. Galaten 6 vers 10 benoemt de motivatie waaruit wij onze zorg willen leveren. Agathos is het oud-Griekse woord voor “goed” doen. Agathos beoogt het goede, in de vorm van zorg en diensten, vanuit christelijk perspectief, te zoeken voor allen. Agathos heeft bijzondere aandacht voor het ‘goed doen’ aan haar geloofsgenoten.

 

Visie
De visie van Agathos op haar zorg en diensten komt direct voort uit een visie op de mens en op de wereld, zoals deze in de Bijbel geschetst wordt. Vervolgens vloeit daaruit voort een visie op de cliënt, een visie op de zorgverlener en een visie op de organisatie. Hieronder zijn deze visies uitgebreid uitgewerkt.

 

Visie op de mens
God de Schepper is de Bron van alle leven en heeft de mens geschapen naar Zijn beeld. De mens is een verantwoordelijk wezen. De mens komt tot zijn doel in een leven in volmaakte relatie tot zijn Schepper en tot de naasten. ‘Mens zijn’ houdt daarom geven en ontvangen in door middel van relatie en communicatie. ‘Mens zijn’ betekent continu leren zelf verantwoordelijkheid te nemen in het realiseren van je bestemming. Zelfredzaamheid is een middel om vorm te geven aan deze verantwoordelijkheid. Gezamenlijkheid en relatie als middelen om tot bestemming te komen impliceert afhankelijkheid van de God en de naasten. Zelfredzaamheid is daarom onlosmakelijk verbonden met ‘afhankelijk zijn’.


Visie op de cliënt
Elk mens is als schepsel van God uniek en kostbaar. Dit betekent dat ieder mens respect verdient. Dat het leven wordt gerespecteerd en beschermd. Het nemen of nodeloos rekken van zijn eigen leven of dat van een ander komt de mens niet toe. De mens is een verantwoordelijk wezen.

De zorg en begeleiding van Agathos betreft de gehele mens, zowel lichamelijk, psychisch, levensbeschouwelijk en sociaal.

 

Tot zover de visie van de stichting Agathos op het woordje ‘Agathos’. Zij geeft dus handen en voeten aan dit woord en maakt van het zelfstandig naamwoord een werkwoord: ‘goed doen’. Het woord ‘Agathos’ komt echter vooral als zelfstandig naamwoord vooral: ‘het goede’. En tenslotte ook als bijvoeglijk naamwoord: ‘goed’. Dat maakt dit woord zo bijzonder en veelzijdig.

We komen dit woord als zelfstandig naamwoord tegen, zoals in die bekende tekst in Romeinen 7:19: “Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.”

Als bijvoeglijk naamwoord komen we het bijvoorbeeld tegen in Lukas 10:42: “…doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.”

Tenslotte komt het als werkwoord voor in een tekst als het al eerder aangehaalde Galaten 6:10: “…laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.” Daar wordt het gescheiden van elkaar: ‘goed’ en ‘doen’ zijn twee afzonderlijke woorden. In een tekst als 1 Petrus 2:14 hebben we het een tijd geleden gezien als één woord: “Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.” Daar is het woord ‘agathopoios’ een samensmelting van ‘agathos’ en ‘poieo’ (doen) en dus eigenlijk toch ook een bijvoeglijk naamwoord.

Het woordje ‘Agathos’ komt bijzonder veel in het Nieuwe Testament voor in een veelkleurige betekenis:

‘van goede aard’:

  • “het andere viel op de goede aarde…” (Lukas 8:8)
  • “Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen…” (Math. 7:18)
  • “Maar de wijsheid die van boven is, die is … vol van goede vruchten…” (Jac. 3:17)

‘nuttig, heilzaam’:

  • “Alle goede gave… is van boven…” (Jac. 1:17)
  • “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven…” (Math. 7:11)
  • “Alzo is dan de wet heilig en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed (Rom. 7:12)
  • “Is dan het goede mij de dood geworden?” (Rom 7:13)
  • “…doch Maria heeft het goede deel uitgekozen…” (Luk. 10:42)
  • “…Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft…” (Fil. 1:6)
  • “En wij weten dat dengenen die God liefhebben alle dingen medewerken ten goede…” (Rom. 8:28)

‘goed, aangenaam, prettig, blij, gelukkig’:

  • “Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien…” (1 Petr. 3:10)
  • “…indien gij navolgers zijt van het goede?” (1 Petr. 3:13)
  • “En onze Heere Jezus Christus Zelf… heeft… gegeven… goede hoop(2 Thess. 2:16)
  • “Vermaan hen… dat zij tot alle goed werk bereid zijn.” (Tit. 3:1)

‘voortreffelijk’:

  • “Kan uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. 1:46)

‘oprecht, eerbaar’:

  • “Gij adderengebroedsels! Hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zij?” (Math. 12:34)
  • Goede Meester! Wat zal ik goeds doen, opdat ik…” (Math. 19:16)
  • “De goede mens brengt het goede voor uit den goede schat zijns harten…”
    (Luk. 6:45)
  • “Want hij (Barnabas) was een goed man…” (Hand. 11:24)
  • “Die wijke af van het kwade en doe het goede…” (1 Petr. 3:11)
  • “Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden…” (Math. 5:45)
  • “En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden…” (Math. 22:10)
  • “…Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man” (Luk. 23:50)
  • “…die het Woord gehoord hebbende, hetzelfde in een eerlijk en goed hart bewaren…” (Luk. 8:15)

Wel aardig om de diverse teksten eens te lezen en te zien in welke verschillende contexten het woord gebruikt wordt. Maar voert voor vanavond te ver om ze allemaal te bespreken.

De Bijbel spreekt dus veelvuldig en op velerlei wijze over ‘goed’ en we kunnen dus vaststellen dat er na Genesis 3 toch nog door Gods goedheid iets goeds gebleven is. Dat is niet remonstrants, maar een werkelijkheid. We gaan zien binnen welk kader we dat moeten zien. Is het een goedheid in de mens (dit wordt geen open deur intrappen).

 

Vraag 2. Lees Efeze 6 : 5-8.
5 Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus;
6 Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte;
7 Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;
8 Wetende, dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.

Hoe gaat de Heere om met het goede dat wij doen? En hoe moeten wij daarmee omgaan?

 

2. Wie is goed?

Zingen Psalm 145 : 3 en 6  –  Lezen Mattheüs 19 : 16-22
16 En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?
17 En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.
18
Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
19
Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
20
De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?
21
Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.
22
Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.

In vers 17 zien we dat Jezus alle wegen afsnijdt, die suggereren dat de mens in zichzelf goed zou zijn. Dat weten wij met ons reformatorische ‘verstand’ wel, maar ergens diep weg zit toch altijd weer iets dat het goede verheerlijkt als een daad die (een deel van) de zonde opheft. Wat dat aangaat is de tijd van de goede werken en aflaten nog niet achter ons gelaten. We hebben daar afgelopen zondagmorgen in de preek over Galaten 2:4 ook een en ander over gehoord. Plichtsgetrouw gaan mensen naar de kerk, zitten op een vereniging, bezoeken gemeenteavonden en doen vooral een goede duit in het collectezakje. Natuurlijk zijn we zondaars, maar dít doe je en méér kun je er toch ook niet aan doen. En als je niet meer kunt doen, heb je je best gedaan. Dat is ‘goed’.

Jezus snijdt die weg snoeihard af. Hij verbiedt zelfs dat mensen Hem goed noemen. Ergens las ik daar een aardige uitleg bij. Waarom snijdt Jezus hier die man de pas af? Hij noemt Hem niet ‘goed’, maar ‘goede Meester’. Hij verwacht van Hem een andere, beter bij hem passende, uitleg van de wet. Jezus stuurt hem terug naar die andere ‘goede’ leraars, want die houden hem diezelfde wet van Zijn Vader voor (al doen zij dat aangevuld met eigen gemaakte wetten). Eén is goed: Zijn Vader. Hoort Hém! Wat Jezus dus verkondigt is niets nieuws. Waag het niet om Hem goed te noemen, omdat Hij in jouw optiek beter past bij de hedendaagse jij, dan de God van het Oude Testament. Daarom zegt Hij zo stellig: “Onderhoud de geboden!”

Goed vindt dus enkel haar oorspong in God Zelf. Niet in de wet, niet in de mens, niet in de kerk, maar in God. Wie is goed? Kortweg: geen mens. En de mens die al aardig op weg denkt te zijn, krijgt van Jezus, net als de rijke jongeling, soms slechts één onderdeel van de wet onder zijn neus geschoven, waaraan hij niet kan voldoen. Daarmee bevestigt hij de gehele wet niet te kunnen houden. Immers, Jezus stelt: “Zo gij volmaakt wilt zijn…” Dat veronderstelt dat het ‘goed zijn’ van de mensen qua maat nog niet vol is… en dus te kort schiet. Niet een beetje, maar totaal. Een snelwegviaduct van 200 meter dat slechts 1 meter te kort is, is 100% onbruikbaar! En dus 100% onvolmaakt, hoewel het er misschien prachtig uit ziet.

En toch is na wedergeboorte dít wonder werkelijkheid: “Hij ziet geen zonde meer in Zijn Jacob en geen overtreding in Zijn Israël”. Hoewel… waar staat die Bijbeltekst? En uit wiens mond klinkt die? Op Refoweb werd die vraag gesteld en iemand antwoordde: het is een soort Het Boek-vertaling, een parafrase, van Numeri 23:21, waar staat: “Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem.”

Het is nota bene Bileam, de tovenaar, die deze woorden moet spreken van God. Hij spreekt ze tegen koning Balak en vertelt zo dat de HEERE, ondanks de zondigheid van Zijn volk, het volk tóch in bescherming neemt. Niet om iets van het volk, maar om de goedheid van God. Hij is trouw en laat die trouw niet afhangen van de boosheid en zonde van het volk. Wel zal Hij het straffen als het zondigt, omdat het niet goedkoop zondigt, maar Hij straft als een Vader.

Toch lezen we in de Bijbel over mensen die goed worden genoemd. Van Jozef veronderstellen we wel zonden, maar we lezen ze niet (hooguit wat hoogmoed als hij zijn dromen aan zijn familie vertelt). Eveneens lezen we slechts lof van Daniël. Zo ook Job. En wat dacht je van Barnabas, die ronduit een Agathos-man wordt genoemd. In die gevallen betreft het ‘eerlijk’ of ‘eerbaar’, ‘oprecht’. En dat is mogelijk door Gods genade. Een mens kan daar nooit iets mee worden, maar er wel een toonbeeld van Gods genade en goedheid voor anderen mee zijn. En dát is precies ook de betekenis van het woord ‘goed’ in onze tekst vanavond!

 

3. Wie doet goed?

Laten we daarbij niet eenzijdig worden en slechts op de nieuwe mens, die door God is wedergeboren, alleen zien. Het is slechts de helft van de nieuwe tweemens. Maar laten we anderzijds ook nooit blijven hangen in de eenzijdigheid van veel reformatorische visies, die slechts blijven staren op de zonde, de onreinheid van de oude mens. Het is ronduit onbijbels om de wedergeboren mens enkel te omschrijven als een vijand van God en van zijn naaste. Gods kind is geen mens die alleen maar God en zijn naaste kan haten. Dan loochen je het werk van de HEERE en dat is laster tegen de Heilige Geest. Dan is het gebed van David ook een leugen, als hij bidt: “Herschep in mij een nieuwe geest”, daar toch die geest nooit zal komen en werken in je. Wie komt er met een tegenargument?

Zingen Psalm 14 : 1, 2 en 3  –  Lezen Romeinen 3 : 5-12
5 Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)
6
Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?
7
Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?
8
En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.
9
Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;
10
Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;
11
Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.
12
Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.

Dat is nu precies een mooi voorbeeld. In vers 8 staat het woord ‘goede’ (Agathos). Gebruikt in een overigens merkwaardige stelling, maar daar gaat het even niet om. Daar in vers 10-12 wordt de mens toch fors afgebrand? Er is er ook niet eentje rechtvaardig. Er is er niet eentje die God zoek. Er is er niet eentje die goed doet! Dus… Een mens kan niets goed doen? Een mens kan niet dan kwaad doen? Een mens moet van zichzelf walgen? Een mens blijft tot zijn laatste snik tegen God strijden? Ik lees het nergens zo in de Bijbel.

Waar het hier in vers 12 over gaat is dat er geen verschil in de Jood, ten opzichte van de Griek, in zichzelf is. God heeft hen niet verkoren om iets in henzelf. Maar om Zijn eeuwig welbehagen. Joden zijn daarom niet meerder dan heidenen, waar het Gods verkiezing betreft! Deze woorden komen uit Psalm 14. Het woord ‘goed doen’ dat in vers 12 wordt gebruikt is niet ons bijvoeglijk naamwoord ‘Agathos’, maar het zelfstandig naamwoord ‘Chrestotes’: goedheid, rechtschapenheid, goedhartigheid, vriendelijkheid, bruikbaar of goed met betrekking op daden en dingen. Alleen hier wordt het vertaald met ‘goed’, terwijl het in de overige gevallen met ‘goedertierenheid’ wordt vertaald. In die gevallen heeft het betrekking op God Zelf.

Er is nog een derde woordje dat als ‘goed’ wordt vertaald: ‘Kalos’. Dat is wat lastig te onderscheiden van Agathos. Het komt voor op die bekende plaatsen waar wordt gesproken over de goede Herder, de goede strijd en het goede zaad. Ik laat dat hier voor het gemak maar buiten beschouwing, om het niet nog ingewikkelder te maken. Want kijk even naar Lukas 8:15: “En dat in de goede (Kalos) aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk (Kalos) en goed (Agathos) hart bewaren, en in volstandigheid.” Ik vermoed dat ze tamelijk parallel worden gebruikt. Waar het om gaat is dat God de Ene Goede is. En wie buiten Hem leeft geen goed doet.

Van geboorte doen wij niet de dingen die goed worden genoemd door God. Maar door wedergeboorte zien we weer wat God goed noemt, begeert en wat Hem verblijdt. En dat ga je hoe langer hoe meer ook begeren te doen. Het falen daarin vervult enerzijds met verdriet en afschuw. Maar anderzijds drijft het niet tot wanhoop, doch tot Christus! Hém moet je hebben en bij Hem moet en wil je zijn!

Gods kinderen wandelen met Hem. Zij aanbidden Hem. En wat zij straks in de hemel gaan doen – één en al Agathos! – dat doen zij hier op aarde al in beginsel. Zij vertonen, dankzij Christus en de Heilige Geest, het beeld van God weer en dáárom ziet God geen ongerechtigheid meer in hen, omdat die is bedekt met bloed! Het bloed van Zijn Zoon. Er valt van alles aan te merken op de wedergeboren mens (want hij blijft zondaar met een oude mens), maar dat hij slechts God kan vloeken, tegen Hem opstaan met een grote mond, ja de HEERE enkel haten… nee. Het is in strijd met het Avondmaalsformulier, maar bovenal met de Bijbelse waarheid. Dagelijks doet hij zonden, maar hij heeft zijn hemelse Vader niettemin hartelijk lief. Hij kan niet zonder Hem. Barnabas niet, Job niet, David niet en zelfs Petrus niet…

Hij is in staat – en dat is voluit het heiligmakende werk van Gods Geest zoals we zondagavond hoorden vanuit zondag 33 – goed te doen. Opdat mensen die hem onheus bejegenen beschaamd zullen worden. Daartoe roept Petrus ons op. Dat valt niet mee, want ons innerlijk komt vaak bruisend aan de kook, als we oneerlijk worden behandeld. Maar… put niet uit je eigen bron, maar uit de Fontein des levens! Dan hebben je vijanden geen ‘poot’ om op te staan als ze je belasteren. Dan krijg je misschien hier op aarde geen gelijk, maar je geweten is rein, want het weet: de Goede God weet dat ik oprecht ben en slechts het goede heb gedaan… opdat Zijn Naam niet worde gelasterd en mijn naaste zou worden gewonnen voor Christus.

 

Vraag 3. Het volgende fragment kwam ik tegen. Wat vind je er van?
“Toch is er nog een tekst, die wij hier even kunnen aanhalen: Rom. 7:18 “Ik weet dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont”. Het betreft gelovigen, wedergeborenen, die echter nog gevangenen zijn van de wet der zonde (Rom. 7:23) en nog niet, zoals die van Rom. 8:2, vrijgemaakt zijn van die wet. Gewoonlijk wil men die woorden méér laten zeggen, dan er staat. Men leest dan: “Ik weet dat in mij geen goed is”. Er staat echter “woont”. Nu is ergens “wonen” iets heel anders dan er soms “zijn”. Het goed heeft geen woonstede in hem, d.w.z. verblijft er niet voortdurend. Maar het goede “is” er, tenminste nu en dan. Er staat verder “in mijn vlees” en men denkt dan gewoonlijk aan iets slechts. Dat is echter niet noodzakelijk het geval en wij hopen dat later eens te onderzoeken. Wij voegen er nu slechts bij, dat het “vlees” onze tegenwoordige bestaanswijze kenmerkt en dat de Heere “vlees geworden is” (Joh. 1:14) toen, Hij de “gestaltenis” (vorm) eens dienstknechts aangenomen had en in de gedaante gevonden is als een mens (Fil. 2:7, 8).”Vlees” is op zichzelf dus niet bepaald slecht. Het goede woont er echter niet blijvend. Dat kan pas in het nieuwe lichaam, het geval zijn.”

Zingen Psalm 135 : 2