Een Licht tot verlichting der heidenen

“Een Licht tot verlichting der heidenen…” (SV)
“Een Licht om de heidenen te verlichten…” (HSV)

Een Licht zó groot, zó schoon!

Broeders en zusters, morgen vergaat de wereld… 21-12-2012. Wat doet u met deze alarmerende boodschap, die afkomstig is van een of andere Maya-kalender. De wereld windt zich op en wacht in spanning … En wij? Hoe staat het met onze verwachting?

Afgelopen zondag vroeg ds. Kamerbeek: “Hoe staat het met uw Advent, uw voorbereiding op de ontmoeting met het Kerstkind?” Al meeprekend dacht ik: eigenlijk zou er net zoveel zorg aan Advent als aan een voorbereidingsweek voor het Heilig Avondmaal moeten zitten. “En,” zo vroeg de predikant verder, “hoe staat het met uw voorbereiding op Christus’ tweede komst? Want als Hij je alles is geworden, dan denk je met dankbaarheid terug aan Kerst, maar kijk je rijkhalzend vooruit naar de grote Dag waarop we het Kerstkind, de Leeuw uit Juda’s stam, mogen begroeten. Hem zien van aangezicht tot aangezicht! Hij, het Licht waarover Simeon zong. Een Licht tot verlichting der heidenen.

Wat hebben Kerst en Licht eigenlijk met elkaar te maken? Waarom noemt Simeon Hem Licht? En wat houdt dat ‘verlichten’ eigenlijk in? Is dat licht een soort esoterische ervaring? Je hoort het nogal eens, ook onder kerkmensen: “Jezus kwam naar onze donkere wereld, en toen werd het licht”. Maar hoe stel je je dat voor? Een lamp die aangaat? En wat betekent dat ‘licht’ eigenlijk? Waarom kwam de Heere Jezus naar deze aarde? Om de zonde te verzoenen? Dat ook, maar er is veel meer…

Wie Johannes 1 leest wordt er niet bepaald blij van:

In den beginne was het Woord […] In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen. En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. En Johannes 3 (gesprek met Nicodémus): En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.

 

“Een Licht tot verlichting der heidenen…” Lukas 2:32a

Waarom wordt Christus Licht genoemd. En wat gebeurt er dan bij die verlichting?
We denken na over Lukas 2:32a; de tekst bestaat eigenlijk uit drie lagen:
1. Door dit Licht ‘gaat je een lichtje op’
2. Door dit Licht ‘word je voor het voetlicht gehaald’
3. Door dit Licht ‘word je innerlijk doorgelicht’

 

1. Door dit Licht ‘gaat je een lichtje op’

De eerste laag in deze tekst: Licht dat een kamer verlicht. Stel dat het licht hier in de zaal uit was en geen enkel schemerlicht door de ramen viel. Je zou stil gaan zitten op je stoel. Je zag niemand. Er was geen enkel contact. Totdat… totdat plots alle lichten aangaat. Iemand roept verschrikt: “Doe uit dat licht! Het doet pijn aan mijn ogen”. Voor anderen is het juist een verademing. Je kunt zien waar je bent. Je ontdekt wie er nog meer zijn. Er is contact.

Johannes beschrijft Christus als ‘Hem in Wie het Leven is’; dat leven is het Licht der mensen. Dat betekent zowel geestelijk licht als vernuft, zoals de Kanttekeningen dat noemen. Het verstand, dat God niet uitschakelt als Hij spreekt. Maar dan wel zo: het verstand, de kennis van God, die de mens bij de schepping ontving. Vraag en antwoord 6 van de Heidelberger Catechismus: “God heeft den mens goed, en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.”

Als dit goddelijk Licht gaat schijnen, gaat je een lichtje op. Of – zoals het grondwoord eigenlijk is – het is een openbaring voor je. Er gaat een wereld, nee een hemel, voor je open. David zingt ervan: “In Uw licht zien wij het Licht!” Dat betekent, volgens de Kanttekeningen: “Als Gij ons door uw Heiligen Geest verlicht, en uw vaderlijk aanschijn in den Messias vertoont, dan bekomen wij het rechte verstand van Uwe genadewerken en genieten een levenden troost en hartelijke blijdschap.”

Dus, kort gezegd is de eerste betekenis van de tekst: Het Licht, Dat schijnt, laat zien waar je je bevindt, wie je bent en vooral Wie God is. Daarmee komt de mens weer tot zijn doel: dat hij God weer ziet/kent. Zo was hij bedoeld in Genesis 1. Dat zijn we kwijt geraakt. Daarom schrijft Johannes ook met zoveel verrukking: “Niemand heeft ooit God gezien; [maar] de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard [ge-exegetiseerd].” Een zalige openbaring, vindt u niet?

 

2. Door dit Licht ‘wordt je voor het voetlicht gebracht’

De tweede laag in de tekst: zoals een zoeklicht op zoek is naar wat zich schuilhoudt. Een licht tot openbaring/openbaarmaking van de heidenen. God gaat ze opzoeken en uit hun verborgenheid tevoorschijn roepen, zoals God Adam zocht: Adam, waar zijt gij?

Waarom is in deze tekst gekozen voor de vertaling ‘verlichting’ of ‘verlichten’? Ik weet het niet. Misschien is dat met het oog op Johannes 1, waar ‘Licht’ en ‘verlichten’ worden genoemd. Weliswaar wordt daar een geheel ander grondwoord gebruikt: het grondwoord ‘photo’ (licht). Terwijl in onze tekst het woord ‘apocalupsin’ (apocalyps) ‘openbaring’ wordt gebruikt.

Wanneer dit Licht schijnt, wordt datgene geopenbaard dat tevoren bedekt/verborgen was. In dit geval ‘de heidenen’. Na Pinksteren wordt ook de heidenen het Evangelie gepredikt. Zo worden zij ‘geopenbaard’, tevoorschijn geroepen. En – dan moeten we het tweede deel van dit tekstvers erbij nemen – dat zal tot heerlijkheid van Israël zijn. Geredde heidenen worden bij Israël ingelijfd. “Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt”, spreekt Petrus in zijn eerste zendbrief, “die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.” (een link naar de profetie van Hosea.)
In die onthulling laat God Zich kennen in Zijn ongekende grootheid. Hij nam eens een volk uit Abram gesproten aan als Zijn Eigen volk. Maar nu maakt Hij dat “Jeruzalem dorpsgewijze bewoond zal worden”, zonder middelmuur des afscheidsel, zonder onderscheid: Jood én heiden. Zo zal heel de wereld in bewondering zien hoe groot de God van Israël is. Dat is die ‘heerlijkheid voor Uw volk Israël’, waar het tweede deel van onze tekst over spreekt. Daar sprak Jesaja in hoofdstuk 49 al over:

6 Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
7 Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israëls, Die U verkoren heeft.
9 Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn (‘kom tot openbaring’!); zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.

Ik legde deze tekst aan onze predikant ds. Van Blijderveen voor – om een stukje uitleg van deze tekst – en hij gaf een citaat uit het bekende commentaar van dr. J. van Bruggen door:

“Van Bruggen (commentator) wijst erop dat de volken absent zijn. Zij dwalen op hun eigen wegen, tastend in het duister. Als Christus komt, het Licht, dan komen ze voor de dag. God roept hen uit de duisternis tevoorschijn tot Zijn licht. En deze openbaring is tot heerlijkheid van Israël. Dan zal Israël – samen met de volken van de aarde – gezegend worden. Openbaring van de heidenen betekent: de heidenen worden onthuld, ze worden voor de dag geroepen als volk van God. Christus is immers de Zaligmaker van álle volken.

Dus, kort gezegd is de tweede betekenis van de tekst: Het Licht, Dat schijnt, roept heidenen te voorschijn om samen met Israël Gods volk te zijn en Hem te verheerlijken. Ja, Hij wordt in hen verheerlijkt! Dát is nog eens een Licht, nietwaar?

 

3. Door dit Licht ‘wordt je innerlijk doorgelicht’

De derde laag in de tekst: zoals een röntgenlamp iemand doorlicht, om te zien wat er binnenin iemand zit: goed of fout. Als dit Licht schijnt, zal duidelijk worden wie je bent: gelovige of ongelovige.

Even een vraag tussendoor. Waarom stopt de berijmde lofzang van Simeon al bij vers 32, terwijl zijn diepe woorden nog verder gaan? Ik legde ook deze vraag aan onze predikant voor. Bij Zacharias merkt je ook dat hij zich tijdens zijn lied tot zijn pasgeboren zoon richt en toch gaat de berijming daar door. Dominee Van Blijderveen zegt het volgende:
“Dat zijn inderdaad indrukwekkende woorden. Er is echter een verschil met de lofzang van Zacharias. Daar worden de woorden die Zacharias tot het kind Johannes spreekt door Lukas ook daadwerkelijk als een doorlopende lofzang beschreven. Bij Simeon is dat niet het geval. Lukas geeft aan dat de lofzang onderbroken wordt door een zegen die Simeon aan Jozef en Maria geeft en dan keert hij zich tot Maria met de woorden die we lezen in 34 en 35. In bijbels waarin de tekst van poezie anders wordt weergegeven dan de tekst van proza is dat verschil ook te merken. Ik denk dat daarom die woorden niet van een berijming zijn voorzien.”
Ik heb ze voor vanavond wel berijmd; zie dat maar als samenvatting van de bijbelstudie.

Simeon bezingt de Heere Jezus als een Licht tot openbaarmaking van heiden en Jood. Daarmee bezingt hij Hem ook als het Licht, dat je innerlijk doorlicht. Waar dit Licht schijnt, waar deze Zaligmaker in de prediking aan het hart wordt gelegd, zal openbaar worden, wat er van binnen leeft. Daar valt een scheiding. Ja, maar is dat geen inlegkunde?

Luister maar wat Simeon verderop zingt (vers 34b en 35): “Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.
Deze, Jezus, het Licht der wereld, wordt gezet (lees: neergelegd – volgens de Kanttekening – door God Zelf!) tot val en tot opstanding (scheiding 1). Een scheiding tussen kerk en wereld? Nee, ‘een val en opstanding voor velen in Israël. Dit probleem voltrekt zich dus ook/juist binnen de kerk!
Jesaja zegt zelfs in hoofdstuk 8 vers 14 dat Hij wordt neergelegd als ‘Steen des aanstoots’ en ‘Rots der ergernis’, ja een ‘Valstrik’ en een ‘Net voor de beide huizen van Israël’!
En… Hij is een door God gegeven Teken van Zijn barmhartigheid en zondaarslievende genade. Maar – stelt Simeon teleurgesteld vast – dit Teken zal weersproken/ontkend worden. Waarom?

“Opdat de gedachten uit veler harten geopenbaard worden.” Daar hebt u datzelfde woord ‘apocalyps’ weer als we ook zagen in ‘verlichten’ in onze tekst. Waar Hij aan het hart wordt aangelegd, in een zuivere Christocentrische prediking, daar zal openbaarkomen wat er in het hart leeft.
Hij is een Rots der ergernis óf een Rots des behouds.

Inlegkunde? Dan neem ik u mee naar Christus’ Eigen woorden. Waarom kwam Hij naar deze aarde? Om een goed voorbeeld te gegeven? Waarom werd het Kerst? Om de zonden te verzoenen? Zeker. Maar Christus Zelf zegt daarover merkwaardige dingen, die ons eigenlijk niet zo liggen. Dingen, die laten zien dat, waar Hij zichtbaar wordt, de scheiding zichtbaar wordt.

Mattheüs 10
34 Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
35 Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.

Lukas 12
49 Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is?
51 Meent gij, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.

Johannes 1
1 In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.
2 Dit was in den beginne bij God.
3 Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.
4 In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.
5 En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.
6 Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.
7 Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.
8 Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.
9 Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.
10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.
11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
13 Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.
14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

Johannes 5
43 Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.

Johannes 9
5 Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld. (
Dat is, moet Ik de wereld verlichten met mijne leer en wonderwerken, hoewel Ik daarover gelasterd en vervolgd word.)
39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.
40 En dit hoorden enigen uit de Farizeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?
41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.

Johannes 12
46 Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.
47 En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.

 

De slotvraag is: “Hebt u Jezus lief?” Mag Hij Zijn Licht laten schijnen over uw leven, zodat zichtbaar wordt, wat er in u leeft? Of vindt u dat een onprettige gedachte? Nou, als dit Licht gaat schijnen, nu, en als dan blijkt dat u Hem niet bezit, is er nog genadetijd. Maar het moment zal eerstdaags aanbreken, dat wij openbaar zullen worden doorgelicht, op de Jongste Dag. Benauwt u die gedachte? Als u in deze dagen zingt over dit Licht, dat verscheen met Kerst, dan moet u er dit wel eerlijk bij bedenken.

Nog eenmaal terug naar het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodémus.
16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.
18 Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.
19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
20 Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.
21 Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

Kijk, wij zijn nogal selectief in het zoeken naar bemoedigende teksten rond Kerst. Simeon leert ons dat die werkelijkheid een stuk weerbarstiger en ruwer is. Als hij Christus ‘een Licht tot verlichting der heidenen’ noemt, dan is alle zoete franje van Kerst verdwenen. Geen romantiek, maar duisternis, zolang Hij niet voluit onze Opstanding is. Geen reden tot sfeer, vrede en gezelligheid, zolang er geen goede gedachten over Hem uit onze harten openbaar worden. Nogmaals die vraag: Hebt u Jezus lief? Wandelt dan als kinderen van het Licht. Wandelt dan op een manier, die waardig/passend is bij uw bekering en roeping.

Dan zegt Christus ook tot u (Math. 6: 14 en 16): “Gij zijt het licht der wereld; Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.”

Ja, dan gaat het toe naar die grote Dag, die wij rijkhalzende verwachten, waarover Johannes in de Apocalypse vertelt:

H21
“23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
24
En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.
25
En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn.
26
En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen.

H22
5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.
7 Zie, Ik kom haastiglijk; zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.

De uitgebreide Lofzang van Simeon:

  1. Zo laat Gij, HEER’, Uw knecht,
    naar ’t woord, hem toegezegd,
    thans henengaan in vrede;
    nu hij Uw zaligheid,
    zo lang door hem verbeid,
    gezien heeft op zijn bede.
  2. Een Licht, zo groot, zo schoon,
    gedaald van ’s hemels troon,
    straalt volk bij volk in d’ ogen;
    terwijl ’t het blind gezicht
    van ’t heidendom verlicht,
    en Isrel zal verhogen.
  3. Voor elk die niet gelooft –
    van ’s hemels Licht beroofd –
    legt God Hem hier tot aanstoot,
    tot ergernis en val.
    Een Teken bovenal
    dat God Hem Zelf u aanbood!
  4. En blijft de weerzin groot
    van heiden en van jood;
    doorklieft het niet de harten?
    Dan openbaart dit Kind
    hoe ’t harte is gezind
    en baart u eeuw’ge smarten!
  5. Of werd Hij, toen u viel,
    herrijzing van uw ziel?
    Een Teken u ten leven?
    Doorstak Zijn liefd’ uw hart?
    Creëerde Hij, naast smart,
    de lust voor Hem te leven?

Vragen:

  1. “Uw komst is ’t die mijn heil volmaakt” (Psalm 70:3 berijmd)
    De wereld windt zich op over 21-12-2012. Velen maakt dit onrustig, hoewel men roept dat het een fabeltje is. De vraag is niet of u het gelooft, maar of u uitziet naar Jezus’ wederkomst. Spreek eens met elkaar door over wat u daarover bezighoudt. Wat bedenkt u erbij? Waarom ziet u er naaruit of waarom ziet u er juist niet naaruit?
  2. “Hoe zal ik U ontvangen? Hoe wilt Gij zijn ontmoet?” (Gezang 10 : 1)
    Hebt u al een antwoord op die vraag? Hoe wil Christus dat we ons op Zijn komst voorbereiden? Hoe ziet dat er in uw leven uit?
  3. “Vervul, o Heiland, het verlangen, waarmee mijn hart Uw komst verbeidt!” (Gezang 7:2)
    Welke overeenkomsten zitten er tussen de ‘week van voorbereiding voor het Heilig Avondmaal’ en ‘de voorbereiding op de Wederkomst’? Zijn er ook verschillen?
  4. “Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen” (Ere zij God)
    Waar was het de Heere Jezus om te doen, toen Hij naar deze aarde kwam? ‘Redden van zondaars’ of ‘de eer van Zijn Vader’? De Heiland sprak Zelf dat Hij niet kwam om vrede te brengen op aarde, maar juist verdeeldheid (Lukas 12:51; lees hierbij ook Mattheüs 10 : 34 en 35). Hoe moeten we dat zien?