Geweld op het Koninkrijk van God (Math. 11:12)

En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.

Mattheüs 11:12

 

De vraag van deze avond is: Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?

Gaandeweg deze inleiding zal duidelijk worden wat deze vraag met de tekst van vanavond te maken heeft.

We beperken ons tot slechts één tekst: Mattheüs 11:12 en leggen daar Lukas 16:16 direct naast. Een tekst die spreekt van (1) ‘het geweld dat gepleegd wordt’, (2) ‘de geweldplegers die dat geweld uitoefenen’, (3) ‘het voorwerp waarop dat geweld wordt uitgeoefend’ en ‘het effect van dat geweld’; tenslotte staan we nog stil bij (4)‘de praktische invulling van dat geweld’. Het centrale thema in deze tekst vormt het ‘geweld’.

 

1. Het geweld dat gepleegd wordt

In september 2009 stond er een artikel in het RD met een merkwaardige kop:
“We moeten agressievere christenen worden”. In het artikel stond het volgende citaat van ene dr. Kim: “Ik was vanmorgen in Amsterdam en reed langs wat kerken. Ze waren allemaal gesloten. We moeten agressievere christenen worden. Dan zullen wij merken dat de acceptatie van ons achteruitgaat. En dan blijkt dat we niet eens zover afstaan van de vervolgde kerk in de andere werelddelen.” Agressiever… misschien is resoluter beter, of radicaler of principiëler. Is een christen dan een ‘krachtpatser’ die zijn geloofs-spierballen laat zien? We zullen zien…

De tekst spreekt op twee plaatsen over geweld: ‘geweld aandoen’ en ‘met geweld nemen’.

Geweld aandoen is in de grondtaal bi’azo, dat ook kan worden vertaald met ‘kracht gebruiken, dwingen of overweldigen’. Het is een werkwoordsvorm van het zelfstandige naamwoord ’bios dat ‘leven, levensduur, levensonderhoud of levenswijze’ betekent. Een soort geweld dat je ‘manier van leven’ is geworden. Dat element moeten we even vasthouden.

Met geweld nemen is in de grondtaal har’pazo dat ook kan worden vertaald met ‘beslag leggen op, snel wegnemen met gebruik van geweld’. Dat woord is afgeleid van ‘hai’reomai’ (in handen nemen, voorkeur geven aan, kiezen), dat op zijn beurt weer verwant is aan ‘airo’ (optillen, wegdragen, wegnemen, ophalen (van een vis), meenemen om ergens voor te gebruiken of zelfs… je toeëigenen wat genomen is).

Dus geweld aandoen heeft iets te maken met een ‘manier van leven’; en met geweld nemen zou je door het theologisch gevoelig liggende ‘toeëigenen’ kunnen vertalen.

De vraag is nu: is dat geweld iets negatiefs, of juist iets positiefs? Als we de tekst in de Statenvertaling lezen (los van de Kanttekeningen), wordt dat niet direct duidelijk. Het is ook een merkwaardige en naar men zegt uiterst moeilijk uit te leggen tekst. Als de Heere Jezus eerst iets geweldig positiefs van Johannes de Doper heeft verteld en tegelijk de minste in het Koninkrijk der hemelen heeft opgewaardeerd tot ‘meerder dan Johannes’, dan volgt deze tekst. Als een terloopse en haast verdwaalde opmerking. Maar, omdat in onze tekst ook wordt gesproken over Johannes de Doper, móet hij er wel direct iets mee te maken hebben.

Laten we eens kijken wat andere vertalingen ervan maken:

De Herziene StatenVertaling formuleert Mattheüs 11:12 als volgt: “En van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en mannen van geweld grijpen het.” Nog niet veel duidelijker, al heeft de term ‘mannen van geweld’ na Jacobs zegening van zijn zonen Simeon en Levi een beslist negatieve, dreigende klank.

De GrootNieuwsBijbel zegt: “Vanaf het ogenblik dat Johannes de Doper optrad tot nu toe heeft het hemelse koninkrijk het zwaar te verduren; geweldige machten proberen het in hun greep te krijgen.”
De Willibrord vertaling vertaalt het met “Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe lijdt het koninkrijk der hemelen geweld en geweldenaars lopen het onder de voet.”
En de NieuweBijbelVertaling volgt datzelfde spoor: “Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen sommigen er zelfs met geweld beslag op te leggen.” Bedreigend geweld, waarmee het Koninkrijk der hemelen in een hoek wordt gedreven en zelfs onder de voet gelopen (!).

Deze drie houden allen eenzelfde interpretatie aan (al laat de NBV ook het ‘tot nu toe’ weg). Bij een eerste lezing van de tekst in de Statenvertaling ben je geneigd te denken dat die laatste drie het bij het rechte eind hebben. Toch… als je het in zijn verband ziet, blijven die laatste drie wel heel erg horizontalistisch in hun vertaling; zo wordt de werkelijke diepte van de tekst aan de lezer ontnomen. De slachtofferrol voor het Koninkrijk der hemelen? Onder de voet gelopen; zou dat ooit kunnen? En … is dat slechts sinds de dagen van Johannes de Doper? Is Gods Koninkrijk al niet sinds Genesis 3 onderhevig aan zwaar geweld van Satan en zijn trawanten? Het zou vreemd zijn als juist de Heere Jezus zo’n vergissing zou maken, wanneer Hij dit zegt.
De NBG vertaling van 1951 klinkt zo: “Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.” Het gaat over de doorbraak van het Koninkrijk der hemelen, middels de verkondiging van het Evangelie; en er zijn mensen die het blijkbaar proberen te pakken te krijgen. Hoewel deze vertaling niet helemaal letterlijk de grondtekst weergeeft, komt hiermee de werkelijke betekenis wel beter aan het licht.

Deze vertaling legt dus juist de link met de verkondiging van het Evangelie. Zij zullen terecht ook gekeken hebben naar de parallel-tekst Lukas 16:16: “De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.” Het woord ‘verkondigd’ in deze tekst is in de grondtekst dan ook ‘evaggelion’, ‘evangeliseren’ of ‘onderwijzen in de dingen van het geloof’.

Maar… wie zijn nu die mensen, die het ‘blijkbaar’ proberen te pakken?

 

2. De geweldplegers, die dat geweld uitoefenen

In de grondtaal staat er voor het woord ‘geweldigers’ eenzelfde woord als bij het ‘geweld aandoen’. Het is het zelfstandige naamwoord van het eerstgenoemde werkwoord. Het gaat over ‘geweldenaars’ of ‘sterke mannen’.

Die geweldenaars zijn actief sinds de dagen van Johannes de Doper, aldus de Heere Jezus. Maar… wat is er dan veranderd ten opzichte van de tijd daarvóór? Was er toen geen geweld? En Christus zegt óók niet: “Vanaf het moment dat Ik in de wereld gekomen ben”, maar “Vanaf de dagen van Johannes den Doper tot nu toe”.

De Heere Jezus geeft Johannes de eer, omdat niet zozeer diens reputatie in het geding was, maar wel zijn goddelijke zending. Het was Johannes, die als eerste mocht gaan wijzen op het Lam Gods, dat de zonden der wereld zou wegdragen. Het Lam, waarover Abraham het al had tegen zijn zoon Izaäk. Er is wel degelijk iets veranderd. Tot op Johannes werd er geprofeteerd. Maar vanaf dat ogenblik is het een zaak van aanschouwen ‘tot nu toe’. Ja, want na Christus’ hemelvaart zou het een soort omgekeerde ‘profetie’ worden. Nadien zou men eveneens moeten geloven zonder te aanschouwen (denk aan Thomas’ terechtwijzing), net als in het Oude Testament, met dit verschil: het voldongen feit van Christus’ komst kan en moet worden gepredikt. Vanaf de dagen van Johannes is er, vanuit de hemel gezien, een wissel om; en dat is merkbaar op aarde. Geen schaduwendienst meer, maar de verkondiging dat het Koninkrijk der hemelen ís gekomen. Sterker nog… vanaf de dagen van Christus’ offer mag er worden verkondigd dat er verlossende kracht is ín, en eeuwig behoud áchter het bloed van Christus.

Dat is het waarop die geweldenaars ‘geweld plegen’. Het is opmerkelijk dat Lukas spreekt over ‘een iegelijk’, als hij het over die geweldigers heeft. Blijkbaar roept de verkondiging van het Evangelie geweld op bij iedereen! Hoe zit dat?

De Kanttekeningen bij de StatenVertaling merken op bij ‘geweld aangedaan’: “Dat is, wordt met grote menigte en ijver aangenomen.” En bij ‘nemen hetzelve met geweld’ zeggen zij: “Dat is, die met groten ernst en ijver naar de zaligheid trachten, als die met geweld iets tot zich willen trekken.” Terecht wijzen ze naar Fillippenzen 3 : 8 en 12, waar Paulus schrijft: “Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.” “Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar,
of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.”

Het gaat dus om ‘winst’, om een zaak op ‘leven en dood’. En dat veroorzaakt de intensheid en de mate van het geweld, dat wordt gepleegd. Gepleegd door toehoorders van het Evangelie, zoals Paulus. Maar, hoe zit dat dan bij Paulus? Heeft hij er in Damaskus met geweld beslag op gelegd, en was daarmee ‘de kous af’? Daar komen we straks op terug. Eerst nog kort iets over dat voorwerp, waarop het geweld wordt uitgeoefend.

 

3. Het voorwerp, waarop dat geweld wordt uitgeoefend en het effect van dat geweld

In de tekst wordt dat voorwerp omschreven als ‘het Koninkrijk der hemelen’. Wat houdt dat in?

In zijn boek ‘De Christenreis naar de eeuwigheid’ vertelt John Bunyan een klein, maar bijzonder voorval. Christen is met Uitlegger zojuist vertrokken uit het huis, waarin zij die persoon zagen die een vuur wilde uitblussen, dat vanuit een aangrenzende kamer met olie werd gevoed. Ze gaan verder naar een volgend beeld en Bunyan schrijft dan:

“Ik zag ook, dat UITLEGGER CHRISTEN weer bij de hand nam en in een zeer vermakelijke plaats bracht, waar een schoon paleis gebouwd was; en CHRISTEN was daar zeer mee ingenomen. Op de top van het paleis zag hij enige personen wandelen, die geheel in het goud waren gekleed. Hij vroeg dan aan UITLEGGER, of zij daar wel mochten binnengaan? UITLEGGER greep hem bij de hand en bracht hem opwaarts, tot aan de deur van het paleis; en zie, aan de deur stond een grote menigte mensen, allen, zo het scheen, zeer begerig om in te gaan, maar zij durfden niet. Daar zat ook, een eindje van de deur af, een man aan een tafel, met een boek en een inktkoker voor zich om de namen op te schrijven van hen, die ingingen; hij zag ook, dat in de ingang tot de deur vele gewapende mannen stonden, om die te bewaken, en wie er door wilden gaan, zoveel schade en leed te doen als zij maar konden. Hierover was CHRISTEN niet weinig verbaasd. Terwijl intussen iedereen terugging uit vrees voor de gewapenden, zag hij ten laatste ook een man van een zeer kloekmoedig voorkomen tot de schrijver naderen, en zeggen: “Mijnheer, schrijf mijn naam eens op.” Toen deze dat gedaan had, zag CHRISTEN, dat hij zijn zwaard aangordde, een helm op zijn hoofd zette en zich naar de deur wendde, recht op de gewapende mannen aan, die hem met een dodelijke woede weerstonden. Maar de man, hierdoor in het minst niet ontmoedigd, viel op hen aan, hakkende en snijdende zeer verwoed. Nadat hij nu vele wonden ontvangen en ook gegeven had aan hen, wier oogmerk het was hem buiten te houden, nam hij zijn weg recht tussen hen allen door en drong het paleis binnen waaruit hij de nodiging hoorde van hen die al binnen waren en op de top wandelden, zeggende:
Kom toch, ei, kom toch in:
En ’s hemels heerlijkheid
Wordt tot in eeuwigheid
Voorzeker uw gewin.
Toen ging hij naar binnen en werd gekleed in net zo’n gewaad als zij allen droegen. CHRISTEN begon wat te lachen en zei: “Mij dunkt, dat ik wel weet, wat dit betekent; laat mij nu ook daarheen gaan.”

In zijn boek ‘Blikken in Bunyan’s Pelgrimsreize’ merkt ds. J.H. Gunning JHzn – de neef en naamgenoot van de schoonhovense ds. Gunning EBzn – op:

“De bedoeling is duidelijk. Beslistheid is noodig. Dat was zoo in de zware dagen, waarin Bunyan zijn Pelgrimsreize schreef, toen duizend vijanden zich legerden rondom een man, die God naar Zijn Woord en volgens zijn geweten wilde dienen; en zoo is het nog in onze dagen, waar wereldzin en verflauwing der grenzen de kloeke, beginselvaste belijders o zoo zeldzaam doen zijn. Christen moet het leeren dat alleen wie volhardt tot het einde toe, de overwinningskroon behalen zal. … Ja, waarlijk, het is geen kleinen zaak het koninkrijk der hemelen of den hemel zelven binnen te gaan. Niemand wane, dat – al onderhoudt Christus het vuur tegen de waterstroomen des vijands – de geloovige niet zou hebben te kampen om het kleinood des geloofs te verwerven. Alleen wie volhardt, die bereid is moedig en beslist ’s Heeren zijde te kiezen, kan toegang verkrijgen. En daarom ook wordt de man, die hier optreedt, beschreven als iemand ‘van een zeer moedig voorkomen.’ Genade maakt niet laf en weifelend, maar kloek en beslist. De moeilijke plaats Matth. 11:12 wordt door prof. Van Leeuwen aldus vertaald en toegelicht: ‘Het koninkrijk der hemelen breekt zich met kracht baan en stoutmoedigen grijpen het; wie met kracht er naar grijpen, verwerven het.’ Laat ons het nimmer vergeten, lezers! Dat wij in deze gevaarlijken tijd, waarin alles er op uit is om ons met de stroom te doen àfvloeien, alleen door een eerlijke, welbewuste keuze onze roeping en verkiezing vast kunnen maken.”

Bijzonder valt de link op, die ds. Gunning legt met de Bijbeltekst van vanavond. Eveneens valt het op dat hij onderscheid maakt tussen ‘het koninkrijk der hemelen’ en ‘de hemel zelf’. Dat is namelijk niet helemaal precies hetzelfde. Reeds in dit leven moeten wij gaan behoren tot het Koninkrijk der hemelen, willen we de eigenlijk hemel ooit daadwerkelijke binnen kunnen gaan. Christen, uit Bunyans, was in dit deel van het verhaal ook nog lang niet in de hemel. Maar het liet hem wel zien, op welke manier hij er komen moest. Tot het Koninkrijk der hemelen behoren allen die eenmaal de hemel zullen binnengaan. Zij ervaren nu al iets van de heerlijkheid, die dán volkomen zal zijn.

Misschien vindt u dat wel een mooie gedachte: de hemel binnengaan. Toch zou dat erg tekort doen aan de zaligheid, als we alleen maar naar de hemel willen gaan. Die hemel is ten diepste – zo zei ds. Maas het bij de rouwdienst van Anton den Besten – leeg en doelloos als de drieënig God daarin ontbreekt. Met eerbied: die hemel is maar bijzaak. De zaligheid bestaat niet in het in de hemel zijn; en al helemaal niet in het díe of díe geliefde weerzien. Nee, de zaligheid bestaat uit het volmaakt, zondeloos, de HEERE behagen en bedoelen in alles. De zaligheid is niet, dat u en ik niet in de hel komen, maar dat de HEERE eindelijk en eindeloos de eer ontvangt die Hem sinds Genesis 3 is ontnomen door u en mij.

Wie dus als een strijder – om bij het beeld van Bunyan te blijven – slechts uit angst voor de hel strijdt, zal het vroeg of laat moeten afleggen. En wie uit een oppervlakkige bewogenheid naar de hemel verlangt, zal nooit dat geweld bezitten dat nodig is om te volharden. Nogmaals die vraag: “Wat merkt de hemel ervan dat u een christen bent?” Wat wordt er in de hemel gesignaleerd van uw en mijn geweld?

We houden ons tenslotte bezig met de vraag, wat dat geweld nu concreet voor u en mij inhoudt.

 

4. De praktische invulling van dat geweld (artikel Hans Frinsel, RD nov ’09)

AMSTERDAM – Christenen denken steeds vaker vijandig over de islam. Het werkelijke gevaar is echter een lauwe en halfslachtige kerk. Dat stelt zendeling Hans Frinsel in de jongste uitgave van De Oogst, het maandblad van de stichting Tot Heil des Volks.

„Ik denk dat we het grote gevaar niet in de islam moeten zoeken”, schrijft Frinsel, „maar in de christelijke kerk en de westerse samenleving. Zonde en losbandigheid worden verheerlijkt. Afgoden van vermaak, seks, zelfzucht en rijkdom worden gediend.”

De kerk zou volgens hem een krachtige en radicale tegencultuur moeten vormen. Een zieke kerk heeft geen antwoord op de radicale islam en geen aantrekkingskracht op zoekende moslims, aldus Frinsel.

 

Als u nu eens een periode van vijf jaar terugkijkt, is dan uw geestelijk leven veranderd. Ik bedoel natuurlijk: positief veranderd. Niet alleen of er dusdanig iets is veranderd, dat u als een bekering zou kunnen aanmerken, maar meer dan dat: is er geestelijke groei waarneembaar. Ik ben wel mensen tegengekomen die iets konden aanduiden van verschillende jaren terug, maar… sindsdien is er niets wezenlijks veranderd. Het gaat vanavond over geweld. Wat heeft de hemel gemerkt van uw en mijn geestelijk geweld? En wat wordt er bij de voortduur van gemerkt? Op godsdienstig terrein is onze tijd vergeven van ‘groeicursussen’ en ‘groeien in je geloof’. Nu is het waar, dat ‘geen groei’, ‘stilstand’ betekent en dat ‘stilstand’ ‘achteruitgang’ is. Maar dat los je niet alleen op met een snelstoomcursusje. Geweld is iets dat u en ik persoonlijk doen. En… dat is dan geen geweld op een granieten wand of een koperen hemel, maar geweld zoals je dat leest bij:

  • Jacob die worstelt met de HEERE bij Pniël
  • David, die worstelt bij de Heere, om het leven van zijn kindje
  • Diezelfde David worstelt met de HEERE in Psalm 44, dat de HEERE Zich niet ‘slapende’ houdt, maar zal opstaan en Zijn Kerk verlevendigen
  • Abraham, die met de Heere worstelt voor Sodom/Lot
  • Mozes, die met de Heere worstelt, wanneer God het hele volk wil wegdoen
  • Asaf, die met God worstelt over de ongelijkheid tussen goddelozen en vromen
  • Maria, die met de Heere Jezus worstelt, aan Zijn voeten en haar tranen over Zijn voeten uitstort, Zijn voeten afdroogt en zalft met nardus
  • Eveneens als Maria stil aan Zijn voeten zit te luisteren om door Hem te worden onderwezen: zij had daarmee het goede deel gekozen
  • Bartimeüs of de tien melaatsen die roepen om ontferming
  • Die Kananesche vrouw, die met Jezus worstelt om tenminste nog de kruimels die van de tafel vallen
  • Die ouderlingen die het voor die hoofdman te Kapernaüm opnamen: “Hij is waardig, dat Gij hem dat doet.” Ze gebruiken zelfs voor een heiden geweld!
  • De moordenaar aan het kruis naas de Heere Jezus: “Heere, gedenk mijner”
  • Paulus die met de Heere worstelt over die doorn in zijn vlees
  • Ja, zelfs de zielen van de martelaren onder het altaar in het visioen dat Johannes op Patmos kreeg: “Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet…” (Openbaringen 6:9)
  • Maar ook Henoch (die wandelde met God) en Noach (de prediker der gerechtigheid), evenals Simeon en Anna (die rijkhalzend de verlossing te Jeruzalem verwachtten)

Wat zien we daarvan in ons eigen leven? Hoe actief zijn we in de kerk? Hoe actief zijn we in deze maatschappij? Hoe actief is onze wandel in de hemelen en hoe actief gevoelen we ons vreemdelingen en bijwoners? Hoe actief zit u in de kerk en hoe actief wordt uw binnenkamer gebruikt?

Hier maak ik dankbaar gebruik van het geweldige boek van Thomas Watson: ‘De hemel door geweld ingenomen’. U kunt het gemakkelijk downloaden via www.theologienet.nl. Het boek behandelt – uitgebreider dan we ooit zouden kunnen behandelen op één avond – hoe dat geestelijke geweld er in de praktijk uitziet. Slechts enkele praktische punten wil ik aanstippen, aan de hand van dit super concrete en praktische boek.

Watson schrijft: “De aarde is het erfdeel van de zachtmoedigen, Matth. 5:5. De hemel wordt beërfd door de geweldigers. Ons leven is een strijdend leven. Christus is onze Leidsman, het Evangelie is de banier, de genadegaven zijn onze geestelijke wapenen en de hemel wordt alleen met geweld genomen. Christenen moeten geweld oefenen. Hoewel de hemel ons om niet gegeven wordt, moeten wij er toch voor strijden.

Watson’s boek heet in het engels ‘Heaven taken by storm’, daar zit ons woord ‘stormenderhand’ in. Hij spreekt de lezers aan als christenen en houdt hen voor dat, indien ze christen willen zijn, zij op vier manieren geweld moeten plegen:

  1. Op zichzelf.
  2. Op de satan.
  3. Op de wereld.
  4. Op de hemel.

 

  1. Een christen moet geweld plegen op zichzelf
    Geweld doen op onszelf in geestelijke zin bestaat in het afsterven van de zonde.
    In de tweede plaats kunnen wij geweld doen op onszelf, door onszelf aan te sporen tot onze plicht. Wij oefenen heilig geweld op onszelf, als wij onszelf opwekken en aansporen tot het goede.
    Daarbij wijst Watson op het lezen en het horen van Gods Woord: welke plaats heeft dat bij ons? Daarnaast wijst hij ook op het bidden: “Als wij ons met anderen verenigen in het gebed of alleen bidden, moeten wij heilig geweld gebruiken. Welsprekendheid brengt ons gebed niet voor Gods troon, maar geweld.”
    Vervolgens roert Watson ook de persoonlijke ‘meditatie’ op; stille tijd is op zich goed, maar laat de meditatie, overdenking, vervlochten zijn met heel je dag!
    En niet in de laatste plaats is daar het ‘zelfonderzoek’, waarmee we geweld plegen op onszelf. Niet alleen in de week van voorbereiding, maar voortdurend: “Zelfonderzoek is het oprichten van een gerechtshof in het geweten en het houden van een register daar, opdat een mens door nauwkeurig onderzoek kan weten hoe het staat tussen God en zijn eigen ziel. Zelfonderzoek is een geestelijk onderzoek; wij stellen onszelf voor de rechtbank. Een goede christen begint als het ware de dag des oordeels hier in zijn eigen ziel. Zelfonderzoek is ontleding van het hart.”
    Tenslotte oefenen wij geweld op onszelf door Gods dag te heiligen en het zoeken en onderhouden van heilige gesprekken. Ja, waar gaan eigenlijk al onze gesprekken over? “Het is de fout van veel christenen dat zij zichzelf in gezelschap niet opwekken tot goede gesprekken. Dit is zondige bescheidenheid. Ze leggen veel bezoeken af, maar brengen elkaar geen zielenbezoek.”
  2. Een christen moet geweld doen op de satan
    Dit lijkt mij voor zich spreken. Zie het als geweld naar buiten toe, tegenover het geweld naar binnen toe, wanneer wij ons hart opwekken de HEERE te volgen.
  3. Een christen moet eveneens geweld doen op de wereld
    Ook dit is vanzelfsprekend en onvermijdelijk als we ook tegen satan geweld plegen.
  4. Een christen moet tenslotte ook op de hemel geweld doen
    1. “Het Koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan.” Hoewel de hemel ons om niet geschonken wordt, moeten wij er wel voor ijveren. Kanaän werd Israël om niet geschonken, maar ze moesten wel vechten met de Kanaänieten. Een flauwe begeerte of een slaperig gebed zullen ons niet in de hemel brengen; wij moeten geweld oefenen.
    2. De Heere heeft in Zijn eeuwig besluit het doel en de middelen aan elkaar verbonden: strijden en ingaan, de loopbaan en de kroon. Iemand kan niet denken dat hij aan het eind van zijn reis zal komen als hij nooit een stap op de weg zet. evenals zomin kan iemand denken dat hij in de hemel zal komen zonder geweld te doen. Hoewel Christus onze zaligheid heeft gekocht, moeten wij die toch gewinnen.
    3. We moeten geweld doen op de hemel, omdat het werk moeilijk is: wij moeten een Koninkrijk innemen. In de eerste plaats moeten wij uit een ander Koninkrijk getrokken worden, het Koninkrijk van de duisternis, Hand. 26:18. Het is moeilijk om uit de natuurstaat te gaan. Als dat is gebeurd, als wij afgesneden zijn van de wilde olijfboom en ingeplant in Christus, is er steeds nieuw werk te doen: wij moeten nieuwe zonden doden, ons verzetten tegen nieuwe verzoekingen en onszelf opscherpen om opnieuw goede werken te doen. Een christen moet niet alleen geloof verkrijgen, maar voortgaan “van geloof tot geloof’, Romeinen 1:17 (Engelse vertaling). Dit zal niet gebeuren zonder geweld.
    4. We moeten geweld oefenen omdat het een zaak is van het grootste gewicht. Een mens breekt zich het hoofd niet over onbelangrijke dingen, maar wel over dingen die betrekking hebben op zijn leven en goederen. Wij moeten geweld oefenen, als wij overdenken wat wij zullen redden: onze kostelijke ziel.
    5. Het hart gaat, evenals als een horloge, zo spoedig trager tikken en moet daarom voortdurend opgewonden worden door gebed en meditatie. Het vuur van liefde zal spoedig uitgaan, als het niet opgerakeld wordt. Wat een christen zelf ervaart van zijn trouweloosheid in het doen van het goede, is reden genoeg om hem tot heilig geweld aan te zetten.
    6. We moeten doen als de Joden die de muur van Jeruzalem bouwden: “Een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer”, Nehemia 4:17. Een christen krijgt het bevel om met een warm hart te dienen.
    7. Er zijn mensen die zeggen dat de beloften hen naar de hemel zullen voeren, maar de beloften mogen niet losgemaakt worden van de geboden. De belofte spreekt ons over een kroon, maar het gebod over geloof. “Loop dan”, 1 Korinthe 9:24; Engelse vertaling. De beloften worden gedaan om het geloof te bemoedigen, niet om luiheid te koesteren.
      Anderen zeggen echter: “Christus is toch voor zondaren gestorven?” Zo laten zij Hem alles voor hen doen en doen zij niets. Dan zou de tekst niet meer voor ons gelden en zouden alle aansporingen tot jagen en strijden ons niets te zeggen hebben. Onze zaligheid kostte het bloed van Christus; Christus was “in zware strijd” toen Hij bad, Lukas 22:44.
    8. Veel mensen denken dat het genoeg is om hun lichaam naar de gemeente te brengen, maar ze kijken nooit naar hun hart. Zij stellen zich ermee tevreden dat ze naar de kerk zijn geweest, hoewel ze daar niet met God zijn geweest.
      Anderen gaan een preek beluisteren, zoals ze naar de markt gaan om nieuws te horen; nieuwe gedachten spreken tot hun verbeelding. Ze slaan echter geen acht op het Woord van God, als op een zaak van leven en dood. Zij gaan niet om door Gods Geest beademd te worden en om Zijn liefde te ontvangen. Helaas, hoe weinig geweld op de hemel is er te zien in de godsdienst van de meeste mensen!
    9. Geweld en matigheid zijn twee verschillende dingen. Het is waar dat matigheid in wereldse zaken prijzenswaardig is. Wij zouden onze begeerten hier moeten matigen en de wereld gebruiken, alsof wij deze niet gebruikten, 1 Korinthe 7:31. Wij mogen, zoals Jonathan, het uiteinde van de staf in de honing dopen, maar deze er niet te ver in duwen. In dit opzicht is matigheid goed. Het is echter zondig om gematigd te zijn in de beoefening van de Godzaligheid. Dat is strijdig met het oefenen van geweld. In wereldse zin betekent gematigdheid niet al te ijverig zijn, niet te vurig verlangen naar de hemel. Gematigdheid wil zeggen dat wij God slechts in zoverre dienen als verenigbaar is met het behoud van ons leven.

 

Tot slot nog twee elementen, waar Spurgeon op wijst in een preek over deze tekst op 15 mei 1859:

 

            Maar dit geweld eindigt niet wanneer een mens Christus vindt; dan begint het zich op een andere manier te uiten. De mens die vergeving heeft ontvangen en die het weet, wordt dan vurig in liefde tot Christus. Hij houdt niet een klein beetje van Hem, maar hij heeft Hem lief met heel zijn ziel en al zijn macht. Hij ervaart dat hij wel zou kunnen wensen te sterven voor Christus en zijn hart snakt ernaar om in staat te zijn alleen maar voor zijn Verlosser te leven en Hem te dienen zonder onderbreking. Let op zo iemand die een echt christen is, let op zijn gebeden en u zult zien dat er geweld ligt in al zijn smekingen, wanneer hij pleit voor de zielen van mensen. Let op zijn uiterlijke daden, dat zij vurig oprecht en vurig ernstig zijn. Let op hem wanneer hij predikt: het is niet het saai opdreunen van een monotoon verhaal; hij spreekt als iemand die meent wat hij zegt en die het moet zeggen, of anders: wee hem, als hij het evangelie niet predikt.

 Als ik om me heen kijk naar veel kerken, ja, naar veel leden van mijn eigen kerk, heb ik de neiging te vrezen dat ze helemaal niet Gods kinderen zijn, omdat ze niets van dit heilige geweld hebben. Hebt u ooit “De oude zeeman” van Coleridge gelezen? Ik durf te zeggen, dat u hebt gedacht, dat het één van de meest vreemde fantasieën was die ooit in elkaar zijn gezet, vooral dat gedeelte waar de oude zeeman de lijken van alle dode mensen uitbeeldt die weer opstaan – ze waren allemaal dood en toch komen ze overeind om het schip te besturen; dode mensen trekken aan de touwen, dode mensen sturen, dode mensen hijsen de zeilen. Ik dacht: “Wat een vreemde gedachte is dat.” Maar weet u dat ik dat in mijn leven echt heb zien gebeuren. Ik ben in kerken geweest en ik heb een dode op de preekstoel zien staan, een dode als diaken en een dode man die de schaal bij de deur vasthield en doden die zaten te luisteren. U zegt: “Wat vreemd!” maar ik heb het echt gezien. Ik ben naar gezelschappen geweest en ik heb het allemaal daar zo geordend zien gebeuren. Deze dode mensen, weet u, stappen nooit over de grenzen van de voorzichtigheid heen – nee, zij niet: zij hebben geen leven genoeg om dat te doen. Ze trekken altijd keurig aan het touw, “zoals het in het begin was, is het nu, en zal het altijd zijn, wereld zonder einde, Amen.” En de dode op de preekstoel, is hij niet heel erg ordentelijk en secuur? Volgens plan haalt hij zijn zakdoek tevoorschijn, en gebruikt die met regelmatige tussenpozen in het midden van de preek. Hij zou er niet aan denken één enkele regel te overtreden, die was opgelegd door zijn ouderwetse kerk. Wel, ik heb deze kerken gezien – ik weet waar ik ze aan moet wijzen – en ik heb doden alles zien doen. “Nee,” zegt iemand, “dat kunt u niet menen!” Ja, dat doe ik wel, de mensen waren geestelijk dood. Ik heb de predikant een preek horen prediken, zonder een greintje leven, een preek, die alleen vers is in die betekenis, waarin een vis vers is als hij verpakt is in ijs. Ik heb mensen zien zitten luisteren, alsof ze een beeldengroep waren – het gebeitelde marmer zou evenzeer beïnvloed zijn door de preek als zij. Ik heb de ouderlingen zo keurig en met zoveel precisie met hun zaken bezig gezien, alsof ze alleen maar automaten waren en geen mensen met een hart en een ziel. Denkt u dat God ooit een kerk zal zegenen die zo is? Moeten we ooit het Koninkrijk der hemelen innemen met een troep doden? Nooit! We hebben levende predikanten nodig, levende toehoorders, levende ouderlingen, levende diakenen en pas als we zulke mensen hebben die het echte levensvuur brandend in hun ziel hebben, die levende tongen hebben, ogen, die leven en zielen die leven, zullen we het ooit zien gebeuren dat het Koninkrijk der hemelen stormenderhand wordt genomen. “Want het Koninkrijk der hemelen ondergaat geweld en geweldenaars grijpen ernaar.”

            Vaak wordt er geklaagd en spreken mensen hun verwondering erover uit, dat ze nooit een zegen hebben zien rusten op wat ze hebben geprobeerd te doen in de dienst van God. “Ik ben al jaren zondagschool onderwijzer,” zegt iemand, “en ik heb nooit één van mijn jongens of meisjes bekeerd gezien.” Nee, de reden is zeer waarschijnlijk dat u hier nooit vurig om bent geweest; u bent nooit gedwongen door de Goddelijke Geest een besluit te nemen, dat ze bekeerd moesten worden en dat geen steen onomgekeerd kon blijven, totdat ze dat waren. U bent nooit door de Geest tot zo’n hartstocht gebracht, dat u hebt gezegd: “Ik kan niet leven, tenzij God mij zegent; ik kan niet bestaan, tenzij ik een aantal van deze kinderen bekeerd zie.” Als u op uw knieën was gegaan in de worsteling van het gebed en u daarna uw vertrouwen met dezelfde intensiteit had gericht op de hemel, dan zou u nooit teleurgesteld zijn, “want geweldenaars grijpen ernaar.” En ook u, mijn broeder in het evangelie, u hebt verbaasd gestaan en u hebt zich verwonderd, waarom u geen zielen wedergeboren hebt zien worden. Hebt u het ooit verwacht? Wel, u predikt als iemand, die niet gelooft wat hij zegt. Zij, die in Christus geloven, kunnen met een bepaalde vriendelijkheid over u zeggen: “Onze predikant is een lieve goede man;” maar de oppervlakkige jonge mensen die onder uw bediening zijn, zeggen: “Verwacht die man dat ik datgene ga geloven wat hij alleen maar uitspreekt als een dor verhaal; verwacht hij mij te overtuigen wanneer ik hem in de dienst bezig zie met heel die saaiheid en eentonigheid van een dode routine?” O mijn broeders, wat wij vandaag in de kerken nodig hebben is geweld, niet geweld tegenover elkaar, maar geweld tegenover de dood en de hel, tegenover de hardheid van hart van andere mensen en tegenover de slaperigheid van ons eigen hart. In de tijd van Maarten Luther onderging het Koninkrijk der hemelen inderdaad geweld. De hele godsdienstige wereld was klaar wakker. Ik vrees dat ze nu voor het grootste gedeelte vast in slaap is. Waar u ook heengaat; onze kerken zijn ouderwetse instellingen geworden. Ze zijn er niet op uit om zich uit te breiden. We moeten nieuw bloed hebben, nee, we moeten nieuw vuur van de hemel hebben dat op het offer valt, of anders kunnen we net als de baälpriesters ons snijden in ons lichaam en tevergeefs onze gedachten inspannen; er zal geen stem, geen antwoord of iets van dien aard komen. Het offer zal onverbrand op het altaar liggen en de wereld zal zeggen dat onze God niet de levende God is, of dat wij anders zeker niet Zijn volk zijn. “En gij zult rondtasten op de middag, zoals de blinde rondtast in het donker en u zult geen voorspoed hebben op uw wegen: en gij zult slechts verdrukt worden en beroofd worden en niemand zal u redden.” Mensen, die vurig van geest zijn, zijn diegenen die het Koninkrijk der hemelen met geweld nemen.

 

Ik hoop dat we allen hierop ‘amen’ kunnen zeggen… Nogmaals die vraag, maar nu anders geformuleerd: “Wat gaat de hemel ervan merken dat u een christen bent?”


(Uit ‘De hemel door geweld ingenomen’ – Thomas Watson)

Onderzoeken of wij geweld oefenen.

Laten wij dan onderzoeken of wij zo heilig geweld oefenen op de hemel. Wat baat een oppervlakkige belijdenis als dit gemist wordt? Dat is als een lamp zonder olie. Laten wij allen onszelf afvragen: “Hoe oefenen wij geweld op de hemel?”

  1. Twisten wij met ons hart om het heilig te maken? Hoe wekte David alle krachten van zijn ziel op om God te dienen. “Ik zal in de dageraad opwaken”, Psalm 57:9. Het hart is als een klok; het kost veel tijd om er beweging in te krijgen.
  2. Zonderen wij onszelf een tijd af om rekenschap van onszelf te vragen en te onderzoeken of wij wel naar de hemel reizen? “Mijn geest onderzocht”, Psalm 77:7. Ontleden wij ons hart, zoals wij een horloge helemaal uit elkaar halen, om te zien wat eraan hapert en dat te beteren? Onderzoeken wij nauwgezet wat de staat van onze ziel is? Zijn wij bang voor een schijn van genade, zoals wij beducht zijn voor schijngeluk?
  3. Oefenen wij geweld in het gebed? Is er vuur in ons offer? Vervult de wind des Geestes die onze zeilen bol doet staan, ons met onuitsprekelijke zuchtingen, Romeinen 8:26? Bidden we
    ’s morgens alsof wij ’s avonds sterven zullen?
  4. Dorsten wij naar de levende God? Is onze ziel vervuld met heilige begeerten? “Nevens U lust mij ook niets op de aarde!”, Psalm 73:25. Hunkeren wij evenzeer naar heiligheid als naar de hemel? Is ons verlangen om als Christus te zijn even groot als ons verlangen om met Hem te zijn? Is dit voortdurend onze begeerte? Klopt deze geestelijke pols altijd?
  5. Zijn wij geoefend in zelfverloochening? Kunnen wij ons comfort, onze doelen en ons eigenbelang opgeven? Kunnen wij onze eigen wil kruisigen om de wil van God te doen? Kunnen wij onze boezemzonde onthoofden? Er is geweld nodig om ons rechteroog uit te trekken.
  6. Hebben wij God lief? Het gaat er niet om hoeveel wij doen, maar hoeveel wij liefhebben. Is liefde de bevelhebber in de burcht van ons hart? Dringt de schoonheid en de beminnelijkheid van Christus ons, 2 Korinthe 5:14? Is onze liefde voor God groter dan onze vrees voor de hel?
  7. Zijn wij geestelijk waakzaam? Plaatsen wij overal spionnen, die onze gedachten, onze ogen en onze tong nauwlettend in de gaten houden? Als wij gebeden hebben om bewaring voor de zonde, zijn wij dan ook op onze hoede voor de verzoeking? De Joden zetten een wacht neer, nadat ze de steen van het graf van Christus verzegeld hadden, Matth. 27:66. Plaatsen wij een wacht, nadat wij ons gesteld hebben onder de bediening van Woord en sacrament, die verzegelende inzetting?
  8. Jagen wij naar een grotere mate van heiligheid, “strekkende tot hetgeen voor is”, Filipp. 3:13? Een ware christen is een wonderlijk mens: hij is het meest tevreden en toch het minst voldaan. Hij is tevreden met weinig van de wereld, maar heeft niet genoeg aan weinig genade. Hij zou graag nog meer genade hebben en gezalfd worden met nieuwe olie. Paulus begeerde “te komen tot de wederopstanding der doden”, Filipp. 3:11. Dat wil zeggen dat hij trachtte om, indien mogelijk de mate van genade te verkrijgen die de heiligen zullen hebben bij de opstanding.
  9. Zijn wij bezet met heilige naijver? Spannen wij ons in om meer te doen dan anderen in dienst van God? Proberen we uitnemender te zijn in liefde en goede werken? Doen wij wat bijzonder is? “Wat doet gij boven anderen?”, Matth. 5:47.
  10. Zijn wij losgeraakt van de wereld? Is onze wandel in de hemel, hoewel wij wandelen op de aarde? Kunnen wij met David zeggen: “Ik ben nog bij u”, Psalm 139:18? Hiervoor is geweld nodig, want opwaartse bewegingen gaan gewoonlijk gepaard met geweld.
  11. Stellen wij onszelf altijd onder Gods oog? “Ik stel de HEERE geduriglijk voor mij”, Psalm 16:8. Leven wij ernstig en Godzalig vanuit de gedachte dat onze Rechter altijd toeziet, wat wij ook doen?

Als het zo met ons is, zijn wij gelukkige mensen. Dit is het heilige geweld waar de tekst over spreekt en het is de juiste manier om het Koninkrijk van God te nemen. Het lijdt geen twijfel dat Noach nooit zo gewillig zijn hand uitgestoken heeft om de duif in de ark te laten, als Jezus Christus Zijn hand zal uitsteken om ons een plaats te geven in de hemel.
StatenVertaling

En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.

Mattheüs 11:12

 

Herziene StatenVertaling
En van de dagen van Johannes de Doper af tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en mannen van geweld grijpen het.

GrootNieuwsBijbel
Vanaf het ogenblik dat Johannes de Doper optrad tot nu toe heeft het hemelse koninkrijk het zwaar te verduren; geweldige machten proberen het in hun greep te krijgen.

Willibrord Vertaling
Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe lijdt het koninkrijk der hemelen geweld en geweldenaars lopen het onder de voet.

NieuweBijbelVertaling
Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen sommigen er zelfs met geweld beslag op te leggen.”

Nieuwe- of NBG Vertaling van 1951
Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.

 

De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.
Lukas 16:16

  1. Hoe is uw (luister)houding tijdens de preek? Wat doet uw gevoel? Wat doet uw verstand?
  2. Waarin herkent u de lauwheid en doodsheid, waarover Spurgeon (s)preekt, in uw eigen leven en in het gemeenteleven? Wat kunnen we daar concreet tegen doen? Wat neemt u zich voor te gaan doen?
  3. Vindt u dat anderen u mogen bevragen op uw geestelijk leven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u het liefst dat anderen dat doen?
  4. Wat is Christus u waard? Wat vindt u persoonlijk het waardevolste aan Hem?
  5. Thomas Watson spreekt in zijn boek ook over ‘geweld voor de waarheid’. Hoe ziet u dat persoonlijk? Krijgt dat voldoende vorm in de gemeente en de kerk?
  6. Wat stelt u zich voor bij het sterven? Op welke Bijbeltekst(en) baseert u dat?
  7. Wat vindt u belangrijker: een Bijbelvertaling die in één keer duidelijk is, of een Bijbelverklaring, die de teksten uitlegt.
  8. Welk element van het ‘geweld’ sprak u het meeste aan?