“Hoe staat het met uw geestelijk IQ (verstand)?” (1 Kor. 2:16b)

Zingen: Psalm 139 : 3, 8 + 9  •  Lezen: 1 Korinthe 2  •  Zingen: Psalm 119 : 17, 52, 63 + 65

 

“Hoe staat het met uw geestelijk IQ (verstand)”

  • Bij de behandeling van dit tweede hoofdstuk van de eerste Korinthebrief loop je het risico dat je dingen herhaalt van het voorgaande hoofdstuk en gras wegmaait voor de voeten van degene die hoofdstuk 3 behandelt.
  • Ik beperk met tot vers 16b “maar wij hebben de zin van Christus”.
  • Het is vandaag de 11e van de 11e, de dag van het zottengetal (prins carnaval wordt verkozen); maar wij gaan het juist over wijsheid hebben.
  • De ‘zin van Christus’ zou je als een soort IQ kunnen omschrijven: een geestelijke wijsheid, tegenover de natuurlijke of zo u wilt de griekse wijsheid.
  • Als in onze tijd IQ-testen de normaalste zaak van de wereld zijn en trainingen worden gegeven, alsmede quizes (denk aan de Bijbelquiz) en geheugenspelletjes ons IQ moeten opkrikken, moeten we dan ons geestelijk IQ ook niet zo actief trainen?

1. We willen allereerst dat woordje ‘zin’ bestuderen
2.
De woorden van de tekst belijden
3.
De tekst impliceert een bijzondere vorm van bevatten
4.
De tekst zet aan tot bespeuren
5.
Hoe zit het met ons beleven

1. We willen allereerst het woordje ‘zin’ bestuderen

  • De Kanttekeningen bij de Statenvertaling omschrijven deze ‘zin’ als “de mening van Christus is ons bekend gemaakt door Zijn woord en door Zijnen Geest”.
  • Andere vertalingen via www.nbg.nl maken ervan:
    • de Willibrordvertaling spreekt van ‘gezindheid’.
    • De NBV 2004 vertaalt de zin alsvolgt: ‘welnu, onze gedachten zijn die van Christus’
    • en ook de Herziene SV vertaalt ‘zin’ met ‘gedachten’.
    • De GrootNieuwsBijbel maakt ervan: ‘wij denken als Christus’.
    • Kijken we naar de Engelse vertaling, dan staat daar: ‘mind’ (verstand/geest)
      • Wikipedia zegt over de menselijke geest: “deze is onderdeel van de mens, net als ‘de ziel’, ‘de psyche’ en ‘het zelf’. Een mens kan er niet zonder (‘de geest geven’ = overlijden). Een pienter iemand wordt wel ‘een scherpe geest’ genoemd. Dit begrip is ook verwant met menselijk ‘bewustzijn’.
        In diverse religies en filosofieën bestaan verschillende indelingen van de mens. Soms twee: Geest en materie of stof, soms drie: Geest, Ziel en lichaam, soms vier (
        jodendom: neshama, ruach, nefesh en guf), soms vijf (boeddhisme: de vijf khandhas). Soms worden ook termen verschillend gebruikt, en worden ziel en geest als begrip verwisseld. De ‘religieuze menselijke geest’ neemt een geloof aan tot zijn waarheid, en gelooft er in.Zo ziet de wereld het dus; maar wij hebben de zin van Christus! Onder de personen die zich met de geest hebben beziggehouden, die Wikipedia noemt, staat ook Plato. Voor de Korinthiërs dus een bekend term.
      • De joodse vertaling vertaalt de ‘zin’ van Christus met ‘ruach Mashiach’: geest.
      • Volgens Strong staat er ‘nous’: ‘Het denken als functie; vandaar opmerkzaamheid, aandacht. Denkvermogen of verstand. Het vermogen om tot geestelijke waarheid te komen en goddelijke dingen te begrijpen, het goede te herkennen en het kwade te haten. Het vermogen om sober, rustig en onpartijdig te overwegen en te beoordelen.
        Dit komt van het werkwoord ‘ginoosko’: leren kennen, te weten komen, weten, begrijpen, inzien, kennis hebben van… en joods idioom voor gemeenschap tussen man en vrouw, het kennis krijgen aan iemand.

        • Matthew Henry (althans degene die na het boek Handelingen zijn werk heeft afgemaakt): Geen natuurlijk mens kan God doorgronden. Maar, voegt de apostel erbij, wij hebben we de geest van Christus. En de geest van Christus is de Geest van God. Hij is God, en de belangrijkste boodschapper en profeet van God. En de apostelen waren gemachtigd door Zijn Geest om ons Zijn gedachten bekend te maken. En in de Heilige Schrift zijn de geest van Christus en de geest van God in Christus volledig aan ons geopenbaard. Let op, dit is het grote voorrecht van christenen: dat zij de geest van Christus aan hen geopenbaard kregen door Zijn Geest. Zij ervaren zijn heiligende kracht in hun hart, en brengen goede vruchten in hun leven voort.”

 
2.
De woorden van de tekst belijden

  • Haast triomfantelijk belijdt Paulus: “Maar wij hebben…”
  • ‘Wij’:dat zijn ‘de volmaakten’ uit vers 6, niet alleen de apostelen/predikers, maar ook de toehoorders (in dit geval de Korinthiërs).
    • In de Hebreeënbrief (5:11-14) vermaant Paulus de toehoorders, dat ze zich er met een Jantje van Leiden van afmaken, zodat hij geen woorden meer kon vinden om hen de diepte van Christus door te geven:
      11 Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt.
      12 Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze.
      13 Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind.
      14 Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.
    • Zij trainden dus hun geestlijk IQ (hun ruach Mashiach) niet, zodat de prediking hun geen of weinig nut deed.
    • ‘Maar’: vormt een tegenstelling met voorgaande: vers 14-16a: tegenover de arrogante natuurlijke mens die alles met zijn rede, zijn natuurlijk verstand beoordeelt en beredeneert.
    • Echter, je kunt het ook vertalen met ‘bovendien’: vers 12-13: “Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn, dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. Bovendien hebben wij de zin/geest van Christus.”
    • Bovendien: naast dat het een extra argument voor geloofwaardigheid geeft, is het ook een belijdenis, een belofte: adeldom verplicht. Die zin van Christus verplicht tot iets: verdieping en verlevendiging! Daar zijn we op aanspreekbaar! WWJD-bandje zou zo op de juiste manier gebruikt zijn.
    • Deze belijdenis is niet de enige, maar staat in verband met die in vers 2: “Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd. Meerdere vertalingen kiezen hun woorden, evenals de Herziene SV, als volgt: “En ik, broeders, toen ik bij u kwam, ben niet gekomen om u met voortreffelijkheid van woorden of van wijsheid het getuigenis van God te verkondigen, want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. Lijkt het alsof de Statenvertaling zegt dat er nooit een ander ‘voornemen’ bij Paulus is geweest dan dit ene (de kruisdood van Christus verkondigen), andere vertalingen schijnen juist te doelen op een ommekeer in Paulus predikgewoonte. Iemand die dat aardig onder woorden bracht is de evangelist Martijn Piet uit Aalsmeer (goede vriend van liedjes–zanger Herman Boon). Hij neemt ons mee naar dat moment in Handelingen 17, waarop Paulus Athene binnenkomt (voordat hij in Korinthe belandt).
    • “Hij herinnert zich nog zo levendig hoe hij in Korinthe was aangekomen, hoe hij daar had gewerkt, en hij besluit om de Korinthiërs daar in deze brief nog eens aan te herinneren. Paulus was niet gekomen als een indrukwekkende man van God, die alles goed op een rijtje had, die welbespraakt was, vol zelfvertrouwen en enthousiasme. Nee, zegt hij in vers 3: Ik kwam bij u in al mijn zwakheid, ik was angstig en onzeker. De grote Paulus, die zoveel gemeenten heeft gesticht, zegt: ik was angstig en onzeker. […] Voordat Paulus in Korinthe kwam, was hij namelijk in Athene geweest. Hij was daar, omdat hij in Berea – waar hij daarvoor was – niet meer veilig was. […] Athene gaf hem weer nieuwe mogelijkheden. Dit was een belangrijk centrum. De Grieken aanbaden vele goden en het valt Paulus op, dat ze zelfs een altaar hebben voor de onbekende God en Paulus besluit om daar in te haken en zegt: “Die onbekende God ken ik”. De mensen vonden het prachtig. Ze wilden er alles over horen. In Handelingen 18:21 staat dat de Atheners haast nergens anders tijd hadden, dan voor het uitwisselen van de nieuwste ideeën. Hier was het centrum van de filosofen en de redenaars. Dit was de stad waar grote Griekse denkers zoals Socrates, Plato en Aristoteles hadden gewoond. Het verkrijgen van kennis en wijsheid via een mystieke weg over het goddelijke, was een groot goed en over die wijsheden werd er onderling vurig gedebatteerd. En ook Paulus doet hier aan mee. Hij ging, zo lezen we in Handelingen 17:17, dagelijks op het marktplein met mensen in debat. Sommige mensen vinden hem maar een praatjesmaker, maar anderen vinden het wel interessant en willen meer horen. Ze brengen hem naar de Areopagus. Dat is een 115 meter hoge heuvel buiten de stad, waar een hoge rechtbank was gevestigd. Hier houdt Paulus een vurig betoog over de onbekende God. Maar in die hele toespraak noemt hij niet één keer de naam van Jezus. Hij vertelt niets over het feit dat Jezus stierf om onze straf te dragen. Het enige wat hij vertelt, is dat God een man heeft uitgekozen, die Hij heeft doen opstaan uit de dood. Toen de mensen dat hoorden, dreven sommige omstanders de spot met hem. Zo verlaat Paulus Athene. [kleine aanvulling LHdK: Handelingen 17:18 laat echter zien dat Paulus wel in de synagoge en op de markt heeft gesproken over de Heere Jezus en de opstanding; niet duidelijk is of het ook over Zijn kruisverdienste ging]. Paulus heeft in Athene slechts een paar mensen tot geloof zien komen (onder wie Dyonisius de Areopagier en een vrouw Damaris). We lezen verder helemaal niets over wonderen of over de werking van Gods geest. Met deze ervaring achter de rug gaat Paulus naar Korinthe en het eerste wat hij daar doet is een baantje zoeken. Stond hij in Athene nog dagelijks op de markt, nu pakt hij zijn beroep op als leerbewerker. Uit het stukje dat we gelezen hebben in 1 Korinthiërs 2 blijkt hoe hij zich voelde, zwak, angstig en onzeker. Maar in die toestand neemt hij een belangrijk besluit; niet om er mee te stoppen; niet om nog meer gebruik te maken van overtuigingskracht, van mooie woorden en rethoriek; niet om allerlei kennis die hij heeft en waar de Grieken zo verzot op waren, toe te voegen, maar hij neemt het besluit om niets anders te verkondigen dan Jezus Christus de gekruisigde. Liever door sommige mensen gezien worden als een dwaas en misschien met de dood bedreigd te worden, dan iets af te doen van de kern van het evangelie. Jezus Christus is niet zomaar een Heer. Hij is de gekruisigde Heer. Geen overheerser, maar een dienaar. Dat is niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers, zegt Paulus in vers 6, maar Gods verborgen en geheime wijsheid. En er is er maar Één die dat geheim kan openbaren. Paulus moet het verkondigen, maar het is de Heilige Geest die het openbaart. Daarom zegt Paulus in vers 4 De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest, Paulus beseft dat, dat wat er in Korinthe gebeurt, niet zijn verdienste is, maar dat het Gods genade is. Er komen mensen tot geloof, omdat de Geest van God aan het werk is. Mensen worden vervuld met de Heilige Geest. En op een nacht spreekt God dan tot deze angstige onzekere Paulus in een visioen. Weet je wat God zegt? Handelingen 18: 9-11: “’s Nachts zei de Heer in een visioen tegen Paulus: ‘Wees niet bang, maar blijf spreken en zwijg niet! Ik sta je bij en niemand zal een vinger naar je uitsteken om je kwaad te doen, want veel mensen in deze stad behoren mij toe.” Paulus bleef anderhalf jaar in Korinte en onderrichtte de inwoners over Gods boodschap. God is aan het werk! Hij is Degene die niet wil dat er iemand verloren gaat, maar Hij heeft mensen nodig zoals jij en ik, die misschien wat last hebben van angst en onzekerheid, maar die besluiten om zich niet te schamen voor het evangelie. Misschien zul je een aantal minder fijne ervaringen hebben, met mensen die het niet willen horen. Schud het stof van je voeten en ga door. Geef Gods Geest de ruimte. Bid voor mensen.”


3.
De zin van Christus leert ‘bevatten’

  • De Spreukendichter zegt in hoofdstuk 28:5: “maar die den HEERE zoeken, verstaan alles, (Kanttekeningen: te weten wat hun ter zaligheid nodig is, rakende de zaken des geloofs en des wandels). De ‘zin van Christus’ heeft alles te maken met dit ‘verstaan’, dit ‘bevatten’.
  • We leren begrijpen wat God bedoelt als Hij spreekt tot ons (denk daarbij aan wat Samuël en Eli leerden toen God sprak in de nacht).
  • Enerzijds wordt gezegd dat wij God niet kunnen begrijpen (vers 16a: “Want wie heeft den zin des Heeren gekend”). Het is waar dat wij God niet kunnen narekenen en beredeneren, maar God is voor Zijn kinderen niet ‘de grote Onbekende’. Vers 9-11 zeggen: “Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.”
  • Hoewel wij God niet kunnen zien, is Hij wel te kennen. En wel op een zuivere en bijzondere wijze: door de ‘zin van Christus’. Hij zei ons namelijk, toen Filippus vroeg “Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg”: “Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien. Als Christus spreekt over ‘zien’, bedoelt Hij volgens de Kanttekeningen ‘recht of op de juiste wijze kennen’.
  • De woorden uit ons tekstvers komen voort uit Jesaja 40:13 “Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?” (Kanttekeningen bij ‘bestierd’: Of, afgemeten, of afgewogen; dat is volkomenlijk gekend). Dat ‘volkomen kennen’ of ‘bevatten’ heeft ook alles te maken met ‘doorgronden hoe Hij werkt en Zijn stem vernemen’ (bijv. onder de preek).
  • Evenals in het alledaagse leven, kent ook het geestelijk leven gradaties, trappen (denk ook aan het boek van Theodorus à Brakel: ‘de trappen van het geestelijk leven’).
  • In dat ‘geestelijk bevattingsvermogen’ zitten melk en vaste spijze en… ook dat wat in 1 Korinthe 13:11 staat: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was”.
  • Ondanks een beperking of een wat minder ‘natuurlijk IQ’ kunnen Gods kinderen tóch doorzien wat mensen verkondigen: goed of niet goed; soms kunnen we de vinger er niet op leggen, maar ‘gevoelen’ haarfijn aan dat er iets niet klopt!
  • Andersom prikken we ook door de gebrekkige voordracht van een prediker, wanneer we merken dat de prediking door hem is doorleefd!
  • In zekere zin heb je geen ‘bewegelijke woorden’ nodig; al zet het vuur van een Johannes de Doper het Woord wel kracht bij; we moeten immers het Woord niet zouteloos/smakeloos presenteren!
  • Vers 13 zegt dat de Heilige Geest woorden leert gebruiken, zodat je geestelijke dingen ook met geestelijke samenvoegt (vergelijkt). De Kanttekeningen verduidelijken dit als volgt: ‘je leert woorden of tekst(gedeelten) op een geestelijke wijze met elkaar te vergelijken (verbanden te zien, diepte te ervaren) en op waarde te schatten; daar horen geen wereldse woorden bij, maar geestelijke woorden. Dus niet alles past bij de verkondiging van het Woord en de dienst van God!
  • De zin van Christus leert je ook te zien wat hoofdzaak en wat bijzaak is (‘Tolhuis’ (Porphyrius uit Augustinus) of ‘gesprek over arbeiders en druiven’)

4. De zin van Christus zet aan tot ‘bespeuren’

  • Onlangs schreef een predikant: “Wie niet studeert is niet bekeerd”. Hij doelde natuurlijk op zijn ambtgenoten, maar… zou dat waar zijn? Zegt onze tekst daar soms ook iets over? Studeren… bespeuren?
  • Er zijn helaas mensen, niet alleen buiten de kerk, die belijden met Job 28:14: “Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.” Hoe is het mogelijk dat jongeren Gods Woord niet met smaak lezen. Is dat de schuld van de vertaling? Of de droge voordracht van de predikant? Is het allereerst niet een signaal van het natuurlijk hart? En daarna: hoe leven hun ouders hen voor? Leeft het voor hen of vervullen ze alleen maar hun plicht?
    Laat het onder ons niet zo zijn. Laat het onze lust en ons leven zijn te bespeuren wat de HEERE zegt in Zijn Woord.
  • En de Heere Jezus vertelt ook hóe we dat doen moeten, in Mattheüs 13:52: “… een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.”
    “Ja, in die volgorde,” zei broeder Anton den Besten altijd.” Dat voorkomt dat een prediker uitgesleten paden bewandelt. En dat is ook zo, maar… hoe zit het dan met onze studie? Hoe zit het met ons bezig zijn in de dienst des HEEREN? Treft die kritiek ook ons niet?
  • En waarom zijn we bij de kerk betrokken? Vanwege bepaalde activiteiten óf vanwege het feit dat we daar mogen ophoren van wat God tot ons hart te zeggen heeft?
  • In het tweede hoofdstuk van de Kolossenzenbrief schrijft Paulus zowel aan de gemeente van Kolosse als Laodicea: “Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus; In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. […] Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem […] Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.”
  • Dus enerzijds is er begeerte om toe te nemen in de kennis van onze Heere Jezus Christus; anderzijds is er ook de noodzaak om weerbaaren niet kwetsbaar te zijn in de maalstroom van deze tijd en onder de aanvallen van satan.
    • Een prachtige illustratie van die begeerte om toe te nemen in kennis (dus niet in verstandelijke, maar geestelijke kennis), vind ik altijd ‘de begeerte der engelen’, alsmede de koortsachtige onderzoeking van de profeten, zoals die verwoord wordt in 1 Petrus 1 : 12
      3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
      4 Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
      5 Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
      6 In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
      7 Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;
      8 Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;
      9 Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.
      10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;
      11 Onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
      12 Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.
    • Herkent u dit?

 
5.
Hoe zit het met ons ‘beleven’?

  • Het zal duidelijk zijn dat bevatten en bespeuren elkaar in beweging houden, maar dat dat niet louter een zaak van ons verstand is, maar ook van ons hart!
    Het moet niet zo zijn, zoals met de schriftgeleerden, die de Wijzen uit het Oosten de weg wezen, maar zelf hun Bijbels weer dichtklapten en huiswaarts keerden. Ze hadden maar een half woord nodig om verstandelijk te weten wat er geantwoord moest worden, maar… ze bevatten de woorden niet die ze kenden.
    Ook moet het niet zo zijn, zoals met die rijke jongeling – een wetgeleerde – die naar eer en geweten tegen Jezus zei: “Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af aan”. Hij begreep echter niet dat de wet geestelijk is en hij nog vleeselijk was, verkocht onder de zonde.
  • Nee, als we het dan hebben over de ‘zin van Christus’, laten we dan ook naar Christus Zelf gaan om van Hem te leren wat het in de praktijk wil zeggen. Hoe leefde het bij Christus Zelf?
  • Ik neem u mee naar de tempel, waar de twaalfjarige Jezus, waar Hij zit temidden van een groep wijze schriftgeleerden: “En allen die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden”. Bij Hem zijn het niet alleen ‘juiste antwoorden’, maar Hij begreep ook als geen ander, wat het inhield; Hij bevatte alles. En tóch staat er nog in vers 52 van Lukas 2 dat Hij toenam in wijsheid, in grootte én in genade bij God én de mensen.
    In vers 52 gaat het over verstand/wijsheid – ‘sophia’, maar in vers 47 staat een woord dat qua betekenis gelijk is aan de ‘zin’ van Christus: ‘sunésai’ – wijsheid die zich uit in het rustig, overwogen de dingen op een rijtje zetten en je conclusies trekken.
  • Jezus maakt ons Zijn bevattingsvermogen deelachtig, al is het naar de mate die wij dragen kunnen, wanneer wij ons verlustigen in Hem en in Zijn werk en in Zijn Woord. Ja, in zekere zin ‘ga je denken als Christus’; dat is niet vreemd, want het gaat er in de hemel niet anders aan toe!
  • Let ook eens op het 49e vers, waar Hij verbaasd uitroept: “Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?”. Als wij de ‘zin van Christus’ deelachtig zijn geworden, zouden we dan niet eens vaker bezig moeten zijn in de dingen van onze hemelse Vader?
  • En… zouden we niet eens vaker een verzoek tot visite en of een telefoongesprek, dat telkens maar weer blijft hangen in het ongeestelijke moeten beantwoorden met diezelfde woorden: “Nee, nu even niet. Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?” Maak er, net als Jezus, bewust tijd voor vrij en laat het uw dag doordrenken.
  • Is het ook niet zie ‘zin van Christus’ die ons ingrijpend voor ogen wordt geschetst in de Hof van Gethsémané, waar Christus eenwillend wordt met Zijn Vader? “Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.” (Hebreeën 5:8).
  •  Hoe staat het er bij u voor? Is er die voordurende begeerte: Dat ik Hém kenne, en de kracht van Zijn opstanding!(Filippenzen 3:10).
    Dan krijg je ook grote lust om met dat Woord bezig te zijn, want “de Schriften zijn het die van Mij getuigen”, zegt Christus in Johannes 5:39.
  • En het zal ook deze Christus zijn, Wiens ‘zin’ Hij mededeelt aan Zijn kinderen, Die eenmaal zal weerkomen in heerlijkheid. Kijkt u er ook zo naar uit?
  • Dan kijken we met Simeon en Anna rijkhalzend uit: “Wanneer komt die dag, dat ik U zien mag en uw aanschijn geprezen?”
  • Dan komt ook vanzelf dat gesprek op gang: “Hoort wat mij God deed ondervinden”
    • Dan gaan we ook uitzien naar de jongste dag:
      1 Korinthe 13: 9, 10 en 12:
      9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
      10 Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
      12 Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.

 1. Christus’ bevattingsvermogen. Gods kinderen hebben de ‘zin van Christus’ uit genade ontvangen; daarmee snappen ze God altijd. Als wij God niet meer volgen, ligt dat aan ons geloof.
2.
Betrokken zijn bij de kerk. Ik ben als christen betrokken bij de kerk, want ik vind het leuk om bijv. te helpen bij rommelmarkt of de tentweek. Maar… Bijbelstudie is aan mij niet besteed. Dat is voor mensen die van lezen houden.
3.
‘Wie niet studeert is niet bekeerd’. Onzin, want als je bekeerd bent, is dat genoeg; Bijbelstudie voegt daar niets meer aan toe.
4.
Groeien in het geloof. Is er verschil merkbaar voor uzelf in de afgelopen vijf jaar? Welke dingen belemmeren u in uw groei? Merkt u, wanneer anderen ‘tanen’ in het geloof? Wat doet u dan?