Hoe sterk is je geweten? (1 Kor. 8)

Hoe staat het met uw geweten? En met dat van uw broeders en zusters?

In 1 Korinthe 8 gaat het over het geweten en hoe je daarmee omgaat.
Waar zat het probleem? Offervlees. Dat was al eerder aan de orde geweest (Hand. 15).

  1. Synodebesluit
  2. Kerkordeartikel
  3. Praxis toen
  4. Ordinantie
  5. Praxis nu

1. Synodebesluit

Naar aanleiding van de kwestie over het wel of niet moeten besnijden van christenen uit de heidenen ontstond een scherpe discussie. Hoe is dat behandeld? [Pak Handelingen 15 er eens bij]
Terug in de thuisgemeente van Antiochië vertelt Paulus over de ‘deur’ die bij de heidenen is geopend door de HEERE. Maar… dat horen ook enkele joodse gasten uit Judea (Hand. 15:1)

En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.

De gemoederen lopen hoog op en (vers 2)

“Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.”

Beide partijen waren vertegenwoordigd. Paulus vertelt opnieuw welke wonderen God gedaan heeft, maar ze zetten ook deze kwestie op de agenda (vers 5):

“Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.”

Zij zijn, laten we het gunstig omschrijven, benauwd van geweten, omdat ze Gods geboden aan de kant geschoven zien worden.

Verplaats je in die joden. Wie had de besnijdenis geboden? En wie heeft die afgeschaft? Lastig vraagstuk; een inleiding op zich. Want wie bewijst dat de besnijdenis niet meer hoeft plaats te vinden? God heeft het teken van het verbond Zelf ingesteld, maar Hij heeft toch nooit gezegd dat dat niet meer hoeft?

Dan neemt opeens Petrus het woord en let op wat hij zegt:

8 En God, de Kenner der harten, heeft hun (de heidenen) getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons; 9 En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.

Let goed op wat hij daar zegt! Hij noemt God de ‘Kenner der harten’ en hij spreekt over de gave van de Heilige Geest.

Het voert ons terug naar de inleiding over 1 Korinthe 2 (Maar wij hebben de zin van Christus; geestelijke kennis, door de Geest van Christus, door Wie wij God kennen). Ook in hoofdstuk 8 wordt gesproken over kennis. Maar houdt ook die term ‘Kenner der harten’ in uw achterhoofd.

Er valt een diepe stilte na Petrus’ woorden. Jacobus onderstreept het voorgaande nog eens en er wordt een besluit genomen.
2.    Kerkordeartikel

Het besluit luidt als volgt:

28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
29 Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.

Merkwaardig genoeg geen woord over roddel, diefstal of gehoorzaamheid aan ouders en overheden; slechts deze dingen, die blijkbaar actueel waren.

En deze dingen worden zwart op wit gezet: ‘aangeschreven’ (vers 20). In het grieks staat daar ‘epistello’. In dat epistel kon ieder lezen wat er was afgesproken.

Hier hadden de apostelen een document in handen waarmee ze de nieuwe christengemeenten, maar ook de reeds gestichte gemeente, konden instrueren. Leefregels, opgesteld door het eerste apostelconvent, zeg maar de eerste synode.

En dit wordt mede door ‘de gehele Gemeente’ (vers 22) opgesteld; daar staat ‘ekklesia’, dat je met kerk kunt vertalen, zoals de engelsen doen. Een kerkordeartikel dus.

Opgesteld om, zoals je kunt lezen “de heidenen die zich tot God bekeren, niet te beroeren”. Want, zeiden de apostelen in dit geschrift: er waren sommigen uit ons (let op UIT ONS) die de heidenchristenen met “woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt”. Zielen worden in twijfel gebracht, gewetens komen in het gedrang. Wat nu? Pastorale verordening, leesbaar vastgelegd.


3.
Praxis toen

Zoals zo vaak, waar regels worden ingevoerd, komt ook hier een tegenbeweging. En als je niet oppast dreigt het schip der kerk op de tegenoverliggende klip te varen. Het is zaak na de eerste ruk aan het roer, zorgvuldig bij te sturen. Houd voeling  met de gemeente. Dat gebeurde niet in Korinthe, zodat de meningen steeds sterker botsten.

Geen vlees eten dat (wellicht) uit de afgodstempels afkomstig was en op de markt als kiloknaller te koop werd aangeboden? Het is niet onmogelijk dat sommige gemeenteleden vanwege hun armoedige omstandigheden, om financiële redenen bezwaar maakten tegen dit kerkordeartikel. Maar de discussie wordt op het niveau van het geweten gevoerd.

Een dergelijke kwestie was eerder ook al onder de christenen in Rome gevoerd. Paulus schreef er ongeveer dezelfde dingen over in Romeinen 14 [pak het erbij]:

3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.

En na een veel uitvoeriger relaas eindigt Paulus met de conclusie:

17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.

Ja maar… laten we nog eens luisteren naar die argumenten van de Korinthiërs. Bedenk dat het mensen zijn die een rationeel, juridisch en filosofisch karakter hebben, de volksaard der grieken.

“Luister: bestaan de afgoden? God heeft ons laten zien dat afgoden slechts bedenksels van mensen zijn. Hoe krankzinnig is het voor zo’n door mensen gemaakt beeld te buigen en daar ook maar iets van te verwachten. Iets wat niet bestaat kan ook niets doen. Nou… wat zou er dan wezenlijk veranderd of schadelijk kunnen zijn aan dat vlees? Dat niet durven eten, is bijgeloof. Dat getuigt van zwak geloof en dat moet je niet willen. Mijn geweten verbiedt mij zulk vlees om die reden te weigeren. Want dan zou ik erkennen dat er naast God tóch nog andere goden bestaan; dat tast het wezen van onze belijdenis aan, broeder!”

Daar hadden die anderen weinig van terug. Maar… was dat wel zo’n geestelijk antwoord? Heerste het vrije geweten zo niet over het zwakke geweten? Bij wie is hier nu de christelijke vrijheid in het geding? En wat zal Paulus antwoorden?
4.    Ordinantie

Paulus had kunnen zeggen: “Broeders, we hebben na lang en goed beraad een kerkordeartikel opgesteld, waarbij de kerk vertegenwoordigd was, dus daar gaan we niet weer aan morrelen.” Dat zou juridisch terecht zijn.

Hij had ook, samen met de Korintiërs een gravamen kunnen opstellen, omdat in hun optiek het wezen van het belijden van de kerk werd aangerand: een afgod is niets; er is één God: de HEERE.

Of op zijn minst had hij dit kunnen verwoorden in een consideratie, een nadere beoordeling en aanbeveling tot aanpassing van het genomen besluit. (‘Consideratie’… diep woord trouwens: 1. Achting – 2. Beschouwing – 3. Hoogachting – 4. Inschikkelijkheid – 5. Motief – 6. Oordeel – 7. Overweging –
8. Respect – 9. Toegeeflijkheid – 10. Toegevendheid)

Maar Paulus geeft een antwoord, in de geest van zijn Meester: Jezus Christus. Zo’n onverwacht en ogenschijnlijk aan de problematiek voorbijgaand antwoord.

Hij spreekt de mensen aan die zeggen een sterk geweten te hebben en zegt hen dat juist zij voldoende capaciteit hebben om zich aan te passen aan de zwakkeren.

Wat nu? Fluit hij de ‘sterke gewetens’ terug en perkt hij ze in? Zegt hij tussen de regels door dus eigenlijk dat afgodenoffer eten tóch zonde is?

Laten we nogmaals bedenken dat het hier om middelmatige zaken gaat. Geen dingen die het wezen van onze godsdienst en zeker niet het wezen van de levende relatie met de HEERE aangaan.

Paulus verbiedt niet om afgodenoffer te eten, maar hij wijst die ‘volwassenen in het geloof’ er wel op hoe zij met de zuigelingen in de gemeente moeten omgaan. Tegelijk laat hij duidelijk merken dat een ‘zwak geweten’ dus niet volgroeid is. Ons geweten is levenslang in ontwikkeling en mag niet groeien ten koste van de ander. Dat zou een bepaalde arrogantie en hoogmoed teweegbrengen. “Kijk mij met mijn sterke geweten… ja jij bent nog een zuigeling, jij kan dat nog niet.”
5.    Praxis nu

Er is nog iets. Wat is geweten? We zagen in het begin dat Petrus God de ‘Kenner der harten’ noemt. De HEERE weet, kent en doorgrond alles. Maar wij?

Nog een keer die vraag: wat is geweten? De roomsen en de GBS geven dat bewust of onbewust het best weer: conscientia zeggen de roomsen, conscientie vertaalt de GBS. Conscientia is een latijns woord: con-scientia = samen weten/kennen. Exact dezelfde betekenis als het griekse grondwoord: “sun’eidésis” (συνείδησις), komt van ‘sun’ en ‘eido’ = samen weten.

Samen? Ik vond daarover een mooie omschrijving op de website van de Roomskatholieke orde der Cistercienzergroep Sion:

“Con-scientia is letterlijk ‘samen-weten’, ‘mede-weten’ … God alleen heeft werkelijk voluit weet van mij en ik deel daar een klein beetje in. Bewustzijn, conscientia, is op die manier een medeweten met God. De mens is geneigd om dit medeweten met God te ontvluchten. Dat is iets van alle tijden. Van deze mens zonder conscientia, zonder medeweten met God, als het ware ‘los van God’ levend, zegt psalm 10 al: de som van wat hij denkt is: ‘Welnee, er is geen God!’”

Samenweten. Niet: alle mensen samen weten wat goed is. Maar Mijn ziel weet, door voortdurende samenspraak met God wat goed is. Zo maak ik mijn keuzes: HEERE wat wilt U dat ik doen zal.

En wees eerlijk, bij duizend en één dingen hoef je dat al helemaal niet meer te vragen: dan spreekt je geweten reeds.

Maar in lastiger zaken, vooral voor hen met een groot, sterk en volwassen geweten, die standvastig hun keuzes maken, past een ootmoedige houding: HEERE, U weet alle dingen. Maak mij Uw wegen bekend.

Paulus vat dat samen in hoofdstuk 10 met deze tekst op dat tegeltje: “Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.”

Er kan jou wel veel geoorloofd zijn, je kunt misschien wel veel meer dingen zonder gewetensnood doen dan anderen, maar let er op of het ook mijn naaste sticht. Ik moet daar nadrukkelijk bijzeggen: dat geldt voor spreken én zwijgen, voor handelen en nietsdoen. En dat is ook voor mensen met een sterk, volwassen geweten nog steeds uiterst lastig. Waar ligt de grens mijn ‘dat wil ik graag’ en ‘dat dient mijn naaste’.

Die katholieke Cistercienzer monniken zagen het nog niet zo verkeerd: “God alleen heeft werkelijk voluit weet van mij en ik deel daar een klein beetje in.”

Samengevat gaat het er dus om dat de volwassenen in het geloof omzien naar de zuigelingen. Ze moeten er voor zorgen dat zuigelingen niet het gedrag van volwassenen gaan kopiëren (denk aan dat voorbeeld van die kleuter en zijn
18-jarige broer en het drinken van bier).

Zo kun je dus, zonder dat je dat wilt, schade aanrichten bij kleine/zwakke gewetens. Dat geweten speelt dan op, nadat ze ergens op jouw advies geen probleem van probeerden te maken (voorbeeld Oude Haven-concert _ Queen)

Lees vers 10-12:
10 Want zo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal het geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die den afgoden geofferd zijn?
11
En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is?
12
Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus.

Dat zijn harde woorden. Door jouw grote geweten en kennis zou je broeder of zuster ‘gestijfd’ kunnen worden; ‘oikodomeó’ (οἰκοδομέω) = opgebouwd of aangemoedigd. Je bouwt hem of haar negatief of!

We zien dat de HEERE geen afgebakende ordinantie geeft met een strakke structuur, waaruit je precies kunt afleiden wat wel en niet mag. Dat maakt luie en achteroverleunende christenen. Wel geeft Hij een dagelijks pak huiswerk en de opdracht om elkaar op te scherpen.

Zeg, hoe staat het met uw geweten? En met dat van uw naaste?

 

Vragen:

  1. Vertaal de kwestie van het offervlees eens naar onze tijd. Zijn meningsverschillen rond bijv. ‘aanpassingen van liturgie’ en ‘visie op de besteding van de zondag’ etc. ook met dit Bijbelgedeelte te behandelen?
  2. Waarom is het peilen van andermans geweten zo belangrijk? Hebt u zelf bij dit gedeelte voorbeelden, die u ooit beleefde of die u op deze wijze zou kunnen gaan behandelen? Heeft je karakter invloed op je geweten? Denk eens met elkaar na over hoe je geweten kan groeien/volwassen kan worden?
  3. Kennen wij onszelf voldoende? Beschrijf eens wat uw wil met uw geweten doet/kan doen. Welke rol speelt het geweten in de hel? Welke rol speelt de HEERE nu reeds in uw geweten?
  4. Lees Galaten 5:1. Dat klinkt aardig tegengesteld aan wat Paulus in
    1 Kor. 8 adviseert. Waardoor komt dat (lees ook vers 2 en 3)?
    Deze kwestie is niet tweederangs/middelmatig van aard. Zijn er in
    onze tijd dingen in de kerk te noemen, waar déze tekst wél voor geldt?
  5. Hoe kan vrijheid een nieuwe slavernij worden? Vertaal dat eens naar
    onze tijd (denk aan maatschappij/politiek/kerk).

TIP VOOR THUIS: Uitgebreidere Bijbelstudie over het geweten: 1 Korinthe 8 en het geweten Overige Bijbelstudies van Bastin en Colinda Romijn uit Gouda zijn te
vinden op www.hemels-brood.nl